Wet van 17 december 2025, Stb. 2025, 444

Wet tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)

—De wet bevat vele wijzigingen in de fiscale wetgeving, onder meer op het terrein van de inkomstenbelasting, de loonbelasting, de successiewet, de motorrijtuigenbelasting, verbruiksbelastingen en milieuheffingen. De wet bevat onder veel meer de volgende maatregelen:

  • De bijtellingsregeling voor fietsen wordt, met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020, aangepast door te regelen dat als deelfietsen en andere fietsen niet of slechts incidenteel bij het woon- of verblijfadres van de werknemer worden gestald een bijtelling van nihil geldt.
  • De berekening van het werkelijke rendement in de box 3-tegenbewijsregeling wordt met terugwerkende kracht tot 25 augustus 2025, 16.00 uur aangepast. Hiermee moet belastingontwijking worden tegengegaan door de aankoop van obligaties met aangegroeide rente. Bij het toepassen van de tegenbewijsregeling vervalt de waarderingsregel voor beursgenoteerde effecten voor obligaties en voor met obligaties vergelijkbare effecten.
  • Zowel de vrijstelling voor groene beleggingen in box 3 als de heffingskorting voor groene beleggingen komen niet per 1 januari 2027, maar per 1 januari 2028 te vervallen.
  • Voor fossiele personenauto’s die vanaf 2027 voor eerst ter beschikking worden gesteld aan werknemers voor privégebruik of woon-werk gaat een pseudo-eindheffing gelden in de loonbelasting.
  • Hetgeen aan een echtgenoot bij ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap meer toekomt dan de helft van die gemeenschap wordt belast met erf- of schenkbelasting. Er wordt overgangsrecht ingevoerd dat inhoudt dat de maatregel niet van toepassing is in geval van huwelijkse voorwaarden waarin reeds een ongelijke breukdelengemeenschap of een verrekenbeding met ongelijke breukdelen is overeengekomen voor 16 september 2025, 16:00 uur.
  • Er wordt een fictiebepaling zodanig aangepast dat schenkingen die zijn gedaan binnen 180 dagen voor het overlijden van de erflater geacht worden niet alleen meer voor de toepassing van de erfbelasting, maar ook voor de toepassing van de schenkbelasting krachtens erfrecht door het overlijden van die erflater te zijn verkregen.
  • De SW 1956 wordt zodanig aangepast dat kinderen die niet in familierechtelijke betrekking tot hun biologische ouder staan voor de toepassing van de schenk- en erfbelasting worden gelijkgesteld met kinderen die wel in familierechtelijke betrekking tot hun ouder staan.
  • De aangiftetermijn erfbelasting wordt verlengd van acht naar twintig maanden na het overlijden.
  • Bij amendement is de voorgestelde lastenverzwaringen in box 3 teruggedraaid. De voorgestelde verhoging van het forfait voor overige bezittingen in box 3 met 1,78%, en de verlaging van het heffingvrije vermogen in box 3 gaat niet door.

Inwerkingtreding

Deze wet treedt grotendeels in werking met ingang van 1 januari 2026 waarbij enkele onderdelen terugwerkende kracht hebben.

Kamerstukken