De Hoge Raad heeft op 13 januari 2026 geoordeeld dat de veroordeling van een Haagse oud-wethouder wegens schending van zijn geheimhoudingsplicht blijft in stand. De rechtbank sprak de verdachte vrij maar het gerechtshof Den Haag oordeelde op 21 juni 2024 (ECLI:NL:GHDHA:2024:1017) in hoger beroep dat verdachte zijn geheimhoudingsverplichting als wethouder had geschonden door vertrouwelijke informatie te delen met een lid van zijn partij.
In cassatie is onder meer geklaagd over de bewezenverklaring van de schending van het ambtsgeheim. A-G Van Wees adviseerde de Hoge Raad op 4 november 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:1181) de veroordeling in stand te laten.
Oordeel Hoge Raad
De verdachte is vervolgd voor opzettelijke schending van het ambtsgeheim (art. 272 Sr). In de tenlastelegging en de bewezenverklaring komen de woorden ‘enig geheim’ voor. Informatie die ‘enig geheim’ bevat, betreft informatie die is bestemd om niet bekend te worden, behalve voor zover deze door daartoe bevoegde personen bekend wordt gemaakt. Bij de beoordeling of sprake is van geheime gegevens kan onder meer betekenis toekomen aan de aard van de informatie, het moment waarop en de hoedanigheid waarin de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en het moment waarop hij of zij deze informatie aan een derde verstrekte. Dat de betreffende informatie ook bij een andere instantie of op een andere manier dan wel op een later moment verkrijgbaar zou zijn geweest, staat niet eraan in de weg dat sprake kan zijn van een ‘geheim’ in de zin van de strafbepaling. De opvatting van de verdediging dat van ‘enig geheim’ slechts sprake kan zijn als de plicht tot geheimhouding volgt uit een wettelijke bepaling, zoals in dit geval de Gemeentewet in samenhang met de (oude) Wet openbaarheid van bestuur is volgens de Hoge Raad onjuist. Uit de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van de strafbepaling en bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Gemeentewet komt naar voren dat een geheimhoudingsverplichting ook kan voortvloeien uit een ambt of beroep. De Hoge Raad is dan ook van oordeel dat de cassatieklacht niet slaagt. Het hof heeft kunnen oordelen dat de verdachte door voorafgaand aan de besloten collegevergadering de ambtelijke e-mail door te sturen, ‘enig geheim’ heeft geschonden, waarvan de verdachte uit hoofde van zijn ambt als wethouder op de hoogte was gebracht en dat hij uit hoofde van dat ambt verplicht was te bewaren. Dit oordeel van het hof is ook toereikend gemotiveerd.
Bron: www.hogeraad.nl