Naar aanleiding van een uitspraak van het hof in een verkrachtingszaak buigt de Hoge Raad zich in een uitspraak van 20 januari 2026 onder meer over de vraag of een benadeelde partij zich met een vordering tot vergoeding van immateriële schade in het strafproces kan voegen, ook zonder dat zij de schade heeft begroot op concreet bedrag. Volgens de Hoge Raad is dit mogelijk.

De Hoge Raad gaat in zijn uitspraak in op de motiveringseisen voor de rechter bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel zowel in de situatie dat er sprake is van een toegewezen vordering van de benadeelde partij als wanneer dat niet het geval is. Uit de motivering zal in ieder geval moeten blijken dat en in hoeverre de verdachte naar burgerlijk recht jegens het slachtoffer aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij buiten haar medeweten heeft gedrogeerd door het toedienen van GHB en dat hij, toen zij als gevolg daarvan in een toestand van bewusteloosheid verkeerde, zich vervolgens schuldig heeft gemaakt aan verkrachting. Verder heeft het hof vastgesteld dat de verdachte een zeer ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat ten tijde van het feit zestien jaar oud was, en dat dit buitengewoon vernederend en traumatisch voor haar moet zijn geweest. Het hof heeft kennelijk vervolgens geoordeeld dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door dit bewezenverklaarde feit aan het slachtoffer is toegebracht. Het impliciete oordeel van het hof dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen als bedoeld in de wet (art. 6:106, aanhef en onder b, BW) vindt de Hoge Raad niet onbegrijpelijk.

ECLI:NL:HR:2026:73

Bron: Post Hoge Raad LinkedIn

Laatste nieuws