Vijf jaar na invoering van de Wet computercriminaliteit III blijkt dat deze daadwerkelijk wordt benut. De wet biedt meer mogelijkheden voor de opsporing en vervolging van computercriminaliteit en andere ernstige criminaliteit. Een belangrijk aandachtspunt is dat zittingsrechters zich tot nu toe nauwelijks inhoudelijk over de inzet van de hackbevoegdheid buigen. Dat schrijven onderzoekers in de op 13 januari 2026 gepubliceerde WODC-evaluatie van de Wet computercriminaliteit III.

Door de wet is een aantal gedragingen nu strafbaar geworden. Twee van de nieuwe strafbaarstellingen zijn het stelen en helen van gegevens, waaronder foto’s, afbeeldingen en persoonsgegevens vallen. Ook online handelsfraude, zoals het oplichten van kopers via Marktplaats, heeft nu een eigen wetsartikel. Naast strafbaarstellingen biedt de wet nieuwe manieren om criminaliteit op te sporen en te verstoren. Zo mag de politie onder voorwaarden apparaten van verdachten hacken en kunnen illegale websites ontoegankelijk gemaakt worden. Uit de evaluatie van de wet komt een aantal aandachtspunten naar voren. Hoewel de strafbaarstelling van online handelsfraude volgens de wetgever vooral gericht is op grootschalige vormen van fraude, komt deze grootschaligheid in de door de onderzoekers bestudeerde zaken bijna niet voor. Daarnaast is het wetsartikel rondom online handelsfraude eenvoudiger van aard dan het wetsartikel ‘gewone’ oplichting. Hierdoor zou het in potentie gemakkelijker moeten zijn om verdachten te vervolgen. In de praktijk blijkt dat te weinig menskracht beschikbaar is om het grote aantal verdachten daadwerkelijk te vervolgen.

Bijzondere opsporingsbevoegdheden

In de praktijk is een spanningsveld zichtbaar tussen enerzijds de efficiëntie en effectiviteit van een inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden ontoegankelijkmaking van gegevens (art. 125p Sv) en de hackbevoegdheid (artt. 126nba, 126uba en 126zpa Sv) en anderzijds de rechtsstatelijkheid. Vanwege de ingrijpendheid van deze bevoegdheden is het van belang dat stevige toetsingsvoorwaarden blijven bestaan. Met betrekking tot de ontoegankelijkmaking van gegevens kan gekeken worden of er meer variatie kan komen wat betreft bepaalde voorwaarden. Bijvoorbeeld de plicht voor een rechter-commissaris om een aanbieder te horen voorafgaand aan het afgeven van een machtiging om gegevens ontoegankelijk te maken. Er kan bijvoorbeeld worden gekeken of hetgeen nu alleen nog in de memorie van toelichting staat beschreven met betrekking tot het achterwege laten van het horen van de aanbieder ook in de wetstekst zelf opgenomen kan worden. Met betrekking tot de hackbevoegdheid heeft de toenmalig Minister van JenV al de keuze gemaakt om bepaalde voorwaarden anders in te richten, namelijk ten aanzien van de keuring van technische hulpmiddelen. Daarbij ging de minister ervan uit dat een zittingsrechter het bewijs, verzameld met de hackbevoegdheid, toetst. Tot nu toe heeft, zo blijkt uit de evaluatie, een zittingsrechter zich zeer sporadisch inhoudelijk gebogen over de inzet van de hackbevoegdheid. Dat betekent dat geen recht wordt gedaan aan een belangrijke rechtsstatelijke waarborg waarvan wel verondersteld wordt dat die in de praktijk aanwezig is. Dat is een belangrijk aandachtspunt.

Evaluatie Wet Computercriminaliteit III - Een empirisch onderzoek naar de toepassing in de praktijk

Bron: www.wodc.nl

Laatste nieuws