Als een asielzoeker vermogen heeft dat bestaat uit dwangsommen die de Minister van AenM heeft betaald, dan mag het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) daarmee rekening houden bij het vragen van een eigen bijdrage in de kosten van de asielopvang. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 14 januari 2026.
In zaken van vier asielzoekers heeft het COA eigen bijdragen vastgesteld voor de kosten van de opvang. Dat deed het COA omdat de asielzoekers een vermogen hadden boven de vermogensgrens. Het vermogen van de asielzoekers bestond uit geld dat zij hadden ontvangen van dwangsommen die de minister aan hen heeft betaald, omdat de minister niet op tijd op hun asielaanvragen had beslist. De asielzoekers zijn van mening dat hun vermogen niet boven de vermogensgrens komt, omdat de betaalde dwangsommen immateriële schadevergoedingen zijn. Volgens het COA is een dwangsom geen immateriële schadevergoeding, maar een financiële prikkel voor de minister om sneller op een asielaanvraag te beslissen.
Oordeel Afdeling
De Afdeling is het eens met het standpunt van het COA en oordeelt dat de dwangsommen geen vergoedingen voor immateriële schade zijn. Zij hebben als doel om de minister sneller te laten beslissen op asielaanvragen. Daarom mag het COA de dwangsommen die aan asielzoekers zijn betaald, betrekken bij de berekening of het vermogen uitkomt boven de vermogensgrens. Als dat zo is, dan mag het COA een eigen bijdrage van de asielzoekers verlangen voor hun opvang. Uit de Europese Opvangrichtlijn volgt dat EU-lidstaten een eigen bijdrage mogen vragen voor opvangvoorzieningen en gezondheidszorg, als asielzoekers over voldoende middelen beschikken. Deze bevoegdheid is in de Opvangrichtlijn verder niet geregeld. Het COA is daarom vrij om zelf invulling te geven aan deze bevoegdheid. Het COA sluit hiervoor aan bij het rekenmodel dat is gebaseerd op de zogenoemde interingsnorm uit de Participatiewet, en dat mag zij doen, zo oordeelt de Afdeling.
ECLI:NL:RVS:2026:139
ECLI:NL:RVS:2026:140
ECLI:NL:RVS:2026:141
ECLI:NL:RVS:2026:142
Bron: www.raadvanstate.nl