De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie de wettelijke beslistermijn van zes maanden voor asielaanvragen ten onrechte met negen maanden heeft opgerekt. Daarmee komt een einde aan een langdurige procedure waarin het Europese Hof van Justitie eerst moest uitleggen hoe de EU‑Procedurerichtlijn op dit punt moet worden geïnterpreteerd.
Een Turkse asielzoeker diende in april 2022 een aanvraag in. Normaal is de minister verplicht binnen zes maanden een besluit te nemen. In deze zaak gebeurde dat niet: de minister koos ervoor de termijn met negen maanden te verlengen.
Volgens de minister was de verlenging noodzakelijk omdat het aantal lopende aanvragen zo groot was dat een zorgvuldige beoordeling binnen de standaardtermijn niet mogelijk was. De vreemdeling betwistte dat deze reden juridisch houdbaar was. Volgens hem voldeden de omstandigheden niet aan de strenge criteria die de Procedurerichtlijn stelt voor een dergelijke verlenging. In november 2023 legde de Afdeling bestuursrechtspraak deze vraag voor aan het Hof van Justitie in Luxemburg, omdat onduidelijk was hoe het begrip 'groot aantal verzoeken dat tegelijk wordt ingediend' precies moet worden uitgelegd.
Het Europese Hof stelde vast dat een lidstaat een beslistermijn alleen mag verlengen als wordt voldaan aan zeer specifieke voorwaarden:
-
Er moet sprake zijn van een plotselinge en uitzonderlijke stijging van het aantal aanvragen binnen een korte periode, vergeleken met wat normaal en voorzienbaar is.
-
Het moet door die plotselinge toestroom feitelijk onmogelijk worden om binnen zes maanden op aanvragen te beslissen.
Bovendien maakte het Hof duidelijk dat bepaalde omstandigheden geen grond vormen voor verlenging:
-
een langdurige, geleidelijke stijging van het aantal aanvragen;
-
structureel personeelstekort of bestaande achterstanden die al langere tijd spelen.
Met andere woorden: praktische problemen of organisatorische knelpunten zijn onvoldoende om af te wijken van de zesmaandstermijn.
Op basis van het arrest uit Luxemburg concludeert de Afdeling dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat de situatie in 2022 voldeed aan de Europese vereisten. De verlenging van de beslistermijn met negen maanden had daarom niet mogen worden toegepast — niet alleen in de zaak van deze Turkse man, maar ook niet in andere dossiers waarop dezelfde verlengingsgrondslag was toegepast.
Concreet betekent dit:
-
De minister had in deze zaak binnen zes maanden moeten beslissen.
-
De uitbreiding naar vijftien maanden was in strijd met het EU‑recht.
-
De uitspraak kan gevolgen hebben voor een bredere groep asielzoekers bij wie dezelfde verlenging is toegepast.
Bron: Raad van State