De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de Hoge Raad, de Centrale Raad van Beroep en het College van Beroep voor het bedrijfsleven hebben op 3 februari 2026 het jaaroverzicht van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht over 2025 gepubliceerd. De commissie biedt met het jaaroverzicht inzicht in haar werkwijze en licht hierin haar werkzaamheden van het afgelopen jaar toe.

De commissie heeft zich in 2025 over verschillende bestuursrechtelijke onderwerpen gebogen zoals over de gevolgen van de problemen bij de postbezorging en over het leerstuk van de vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn. Onder meer de volgende onderwerpen zijn besproken:

Maatstaf beoordeling wrakingsverzoek

De vraag over de toe te passen maatstaf voor het beoordelen van een wrakingsverzoek komt aan de orde in de uitspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:87. De wrakingskamer moet beoordelen of de door de verzoeker gestelde feiten de vrees voor vooringenomenheid objectief rechtvaardigen. Een oordeel daarover hangt af van de omstandigheden van het geval. Tot de omstandigheden behoren: 1) de aard van de procedure; 2) de wettelijke en buitenwettelijke normen over verschoning en wraking, waaronder normen van het tuchtcollege in kwestie; 3) de aard en intensiteit van de verhouding tussen een lid van een tuchtcollege en een andere betrokkene in de procedure; 4) de positie van die andere betrokkene in de procedure; 5) het belang van specifieke deskundigheid in het tuchtcollege met het oog op de te beoordelen klacht; 6) of specifieke deskundigheid op andere wijze in de procedure kan worden gewaarborgd; 7) de omvang van de groep van mogelijke deskundige leden-beroepsgenoten; en 8) of openheid is betracht over omstandigheden die aanleiding zouden kunnen zijn voor de schijn van vooringenomenheid.

Passeren gebreken en vergoeding proceskosten en griffierecht (art. 6:22 Awb)

In de uitspraak van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106 overweegt De Hoge Raad dat de rechter op grond van art. 6:22 van de Awb kan beslissen de uitspraak op bezwaar, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand te laten indien aannemelijk is dat de belanghebbende door deze schending niet is benadeeld. Voor de beoordeling van de vraag of een andere uitkomst van de besluitvorming mogelijk was geweest, is beslissend of het bestuursorgaan zonder de schending tot een andere uitspraak op bezwaar zou zijn gekomen. Als de schending met toepassing van art. 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd omdat belanghebbende door die schending niet is benadeeld, en het bestreden besluit in stand blijft, bestaat in de regel recht op vergoeding van griffierecht en op toekenning van een proceskostenvergoeding. Bij toepassing van art. 6:22 van de Awb kan de rechter alleen bij aanwezigheid van bijzondere omstandigheden afzien van het toekennen van een vergoeding van griffierecht en een proceskostenvergoeding. De rechter moet in zo’n geval motiveren waarom hij daarvan afziet.

Verschoningsrecht

De strafkamer van de Hoge Raad heeft in de beschikking van 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:456, enkele opmerkingen gemaakt over de reikwijdte en bescherming van het verschoningsrecht. De strafkamer overweegt dat de omstandigheid dat een advocaat een stuk met daarin gegevens waarover zijn verschoningsrecht zich uitstrekt, heeft ingebracht in een fiscale procedure, niet met zich brengt dat het verschoningsrecht voor die gegevens wordt prijsgegeven in relatie tot een (mogelijk) latere strafrechtelijke procedure. Dit geldt ook voor bijlagen waarover het verschoningsrecht zich uitstrekt. Wel kan het inbrengen van gegevens in de fiscale procedure ertoe leiden dat de belastingrechter die gegevens vermeldt in zijn uitspraak en dat die uitspraak openbaar wordt. Dan komt het vertrouwelijke karakter te vervallen en komt de advocaat wat betreft openbaar geworden gegevens geen beroep meer toe op verschoningsrecht. Het is aan de belastingrechter te beslissen welke gegevens hij al of niet in de uitspraak vermeldt, waarbij de omstandigheid dat op het ingebrachte stuk verschoningsrecht rust geen beperking meebrengt.

Postproblematiek

De colleges merken in toenemende mate dat aangetekend verzonden post de afzender niet bereikt. De colleges passen hetzelfde beoordelingskader toe als een belanghebbende stelt een aangetekend verzonden stuk of het afhaalbericht niet te hebben ontvangen. Als het interne systeem van het postvervoerbedrijf laat zien dat de bezorger het stuk op het juiste adres heeft uitgereikt of daar een afhaalbericht heeft achtergelaten, rechtvaardigt dat het vermoeden dat het stuk op regelmatige wijze op dat adres is aangeboden. Als belanghebbende stelt dat het stuk niet is uitgereikt of geen afhaalbericht (op het juiste adres) is ontvangen, dan ligt het op zijn weg om het aan de gegevens van het postvervoerbedrijf ontleende vermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet is ontvangen of aangeboden. Voldoende is dat belanghebbende feiten en omstandigheden aanvoert op grond waarvan redelijkerwijs kan worden betwijfeld of het stuk is ontvangen of aangeboden. Bij de toepassing van dit beoordelingskader is er ruimte voor het meewegen van de problemen die een belanghebbende ondervindt rondom de bezorging van aangetekende post. Dat komt onder meer tot uitdrukking in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 15 april 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:647 en de Afdeling bestuursrechtspraak van 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4946.

Verzet

De conclusie van A-G Pauwels van 22 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1256 gaat over de vraag of de rechter in verzet ambtshalve of op basis van daartoe strekkende gronden behoort te beoordelen of het beroep tegen het niet-tijdig beslissen onredelijk laat is ingesteld. De Hoge Raad overweegt in de uitspraak van 2 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:711, dat in verzet nieuwe argumenten naar voren kunnen worden gebracht als die ook nog hadden kunnen worden aangevoerd bij een normale behandeling van de zaak, dat wil zeggen zonder toepassing van art. 8:54 van de Awb. De verzetrechter dient het verzet met inachtneming van die argumenten te beoordelen. Verder overweegt de Hoge Raad dat bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van een beroep wegens niet-tijdig beslissen op bezwaar, als uitgangspunt kan worden genomen dat het beroepschrift onredelijk laat is ingediend indien het is ingediend meer dan een jaar na het moment waarop het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

Overschrijding redelijke termijn

De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, overwogen dat op het uitgangspunt dat voor het toekennen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als uitgangspunt en behoudens wettelijke uitzonderingen een tarief wordt gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, slechts in bijzondere gevallen een uitzondering kan worden gemaakt. In de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 7 augustus 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:1179, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3869, is overwogen dat er geen aanleiding is een inflatiecorrectie toe te passen op het bedrag van € 500 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. In de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:353, heeft het College overwogen dat het vasthoudt aan het algemene uitgangspunt dat een boete bij een overschrijding van de redelijke termijn tot een jaar, gematigd wordt met maximaal € 2.500. Het College ziet geen reden om van dat uitgangspunt af te wijken in het financieel-economisch bestuursrecht, waar het om hoge boetebedragen kan gaan. In de wijze waarop de hoogste bestuursrechters de matiging van boetes wegens overschrijding van de redelijke termijn hebben vormgegeven, ligt besloten dat de hoogte van de matiging enigszins meebeweegt met de hoogte van de boete, maar dat meebewegen vindt bij een overschrijding tot één jaar zijn grens in het maximum van € 2.500. Bij die overschrijding wordt ervan uitgegaan dat de ondervonden spanning en frustratie afdoende zijn gecompenseerd met dat bedrag.

Jaaroverzicht van de Commissie rechtseenheid bestuursrecht over 2025

Bron: www.raadvanstate.nl

 

Laatste nieuws