Het gerechtshof Amsterdam heeft op 27 januari 2026 bepaald dat zelfstandige chauffeurs die via taxi-app Uber hun diensten aanbieden, ondernemers zijn en geen werknemers. Volgens het hof zijn de verschillen tussen chauffeurs te groot om daarover een algemeen oordeel te geven. Het hof sluit niet uit dat er wel sprake kan zijn van werknemerschap, maar stelt dat dit individueel moet worden vastgesteld.
De centrale vraag tijdens de rechtszaak was of Uber-chauffeurs werknemers zijn. De rechtbank Amsterdam gaf FNV in 2021 gelijk (ECLI:NL:RBAMS:2021:5029) en besliste dat Uber-chauffeurs werknemers zijn. Daarop ging Uber in hoger beroep. In het hoger beroep stelde het gerechtshof prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Die hadden betrekking op de betekenis van ondernemerschap bij de kwalificatie van een arbeidsrelatie en op de procedure om die kwalificatie voor een groep werkenden vast te stellen. De Hoge Raad antwoordde op 21 februari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:319) dat hij in zijn Deliveroo-arrest geen rangorde heeft willen aanbrengen in de daarin genoemde relevante omstandigheden, dat dat ook geldt voor ondernemerschap, en dat het zich kan voordoen dat de arbeidsrelatie van de ene werkende anders te kwalificeren valt dan ten aanzien van andere werkenden die dezelfde werkzaamheden verrichten. Volgens de Hoge Raad kan de rechter geen algemeen oordeel over de kwalificatie geven indien de individuele omstandigheden van de (groepen) werkenden daarvoor teveel uiteenlopen. Voor zover er wel een oordeel kan worden gegeven voor bepaalde (groepen) werkenden, kan de rechter dit in de beslissing van de uitspraak tot uitdrukking brengen.
Oordeel hof
Anders dan de rechtbank heeft het hof niet kunnen vaststellen dat de chauffeurs die voor Uber werken dat doen op basis van een arbeidsovereenkomst. De in hoger beroep aan de zijde van Uber gevoegde Chauffeurs hebben geen arbeidsovereenkomst omdat bij hen sprake is van een sterke mate van ondernemerschap. Factoren die hierbij onder meer van belang zijn: de hoogte van de investeringen die de chauffeurs deden (zoals voor hun auto), de vrijheid in het kiezen van de tijdstippen waarop ze werken, de strategie bij het wel of niet accepteren van ritten en de daarbij behorende verdiensten, en het risico op aansprakelijkheid en arbeidsongeschiktheid. Hoewel het hof niet uitsluit dat er individuele chauffeurs zijn die op basis van een arbeidsovereenkomst voor Uber werken, heeft het hof bij gebreke van gegevens met betrekking tot individuele omstandigheden geen individuele chauffeurs of groepen van chauffeurs kunnen vaststellen voor wie dat geldt. Omdat niet is komen vast te staan of en, zo ja, welke chauffeurs een arbeidsovereenkomst hebben, kan ook geen algemeen oordeel gegeven worden over de toewijsbaarheid van de gevorderde vergoedingen. Ook die vorderingen worden daarom afgewezen. Volgt vernietiging vonnis rechtbank.
Reactie FNV
De FNV schrijft in een reactie op de uitspraak dat vakbonden voor alle werkenden en voor hun leden ook op collectief niveau de geldende wetten en cao’s moeten kunnen handhaven. De FNV zal daarom ook de mogelijkheid van cassatie tegen de uitspraak van het Hof onderzoeken. Daarnaast zal FNV de mogelijkheid bekijken van het opstarten van procedures voor individuele chauffeurs.
Bronnen: www.rechtspraak.nl en www.fnv.nl