De zaak rond het Vlaardings meisje legt fundamentele tekortkomingen in de gezinsvoogdij bloot. Een effectief waarschuwingssysteem en directe ingrijpbevoegdheid van de kinderrechter zijn noodzakelijk.
Kort na de recent door de Rechtbank Rotterdam behandelde strafzaak betreffende de door de gezinsvoogdijinstelling ten onrechte niet opgemerkte langdurige mishandeling van een in een pleeggezin ondergebracht kind, is in de landelijke dagbladpers alweer een tweetal berichten verschenen over kinderbeschermingszaken waarin zich eveneens, globaal aangeduid, ernstige gebreken in het toezicht en de communicatie hebben voorgedaan.
Deze voorvallen zijn geen op zichzelf staande incidenten, maar zij zijn (zonder miskenning trouwens van het algemene probleem van het door bezuiniging veel te geringe aantal jeugdbeschermingswerkers) ook toe te schrijven aan een manco in de organisatie van de gezinsvoogdij, namelijk het ontbreken van een effectief functionerend waarschuwingssysteem.
Men zou verwachten dat, indien zich ongewenste situaties voordoen in een besloten omgeving als een pleeggezin of kindertehuis, er in een praktische mogelijkheid is voorzien om deze situaties direct naar buiten te kunnen brengen zodat er met een passende reactie op gereageerd kan worden. Een betrokken kind (ongeacht diens leeftijd) en zijn ouders evenals anderen, die op enigerlei wijze bij het kind betrokken zijn, zouden toch in de gelegenheid moeten zijn om rechtstreeks aan een (telefoon)bel te trekken bij een algemeen bekende daarvoor aangewezen instantie/functionaris.
En een dergelijke functionaris zou, om deze taak te kunnen verrichten, ingevoerd moeten zijn in het gehele terrein van de kinderbescherming en ook op de hoogte zijn van de aan een specifiek kind en ouder(s) opgelegde begeleiding annex uithuisplaatsing. En hij moet vooral – hetgeen heel cruciaal is – de bevoegdheid hebben om, als het ergens fout blijkt te gaan (dus na enig serieus bevonden signaal vanuit betrokkenen) in te grijpen door het geven van instructies, die dan verplicht direct moeten worden uitgevoerd door alle betrokkenen, dus zowel door het betreffende kind en zijn biologische ouder(s) als ook door de gezinsvoogd, pleegzorgwerker pleegouders en kindertehuis. Het zou daarbij dan dus ook gaan om de mogelijkheid van een beslissing tot directe uitplaatsing uit een pleeggezin.
Deze correctiebevoegdheid zou trouwens, gezien de uit het karakter van de hulpverlening per definitie voortvloeiende afhankelijkheid van kind en ouder van de persoon van de hulpverlener, voor het gehele veld van de kinderbescherming moeten gelden: dus zowel voor de zogenaamd vrijwillig begeleide kinderen (waarbij geen sprake is van een formele beschermingsmaatregel) als voor kinderen met begeleiding ingevolge een door de rechter opgelegde formele ondertoezichtstelling en verder ook voor kinderen, die vallen onder een voogdijinstantie (dus kinderen ten aanzien van wie het ouderlijk gezag eerder wegens pedagogisch onvermogen van de ouders werd beëindigd).
Het ligt voor de hand om voor de vervulling van deze taak aan de kinderrechter te denken. Maar heeft de kinderrechter deze toch eigenlijk voor zich sprekende bevoegdheid dan op dit ogenblik niet?
Dat is inderdaad niet het geval, want, hoewel het in de praktijk vaak gaat om kinderen en gezinnen met problemen, waarin acuut moet worden ingegrepen, heeft de kinderrechter daarin geen bevoegdheid. Eertijds was dat wel het geval, maar thans niet meer. Al weer geruime tijd geleden is de kinderbescherming namelijk grondig veranderd. En de ondertoezichtstelling van kinderen met hun ouders, die tot dan toe onder formele en materiele eindverantwoordelijkheid van de kinderrechter viel, werd uit het oogpunt van het beginsel van de scheiding der machten juridisch anders geregeld. De kinderrechter werd sindsdien alleen belast met rechtspraak in strikte zin.
Concreet: de taak van de rechter werd in hoofdzaak beperkt tot het uitspreken van maatregelen tot ondertoezichtstelling en de jaarlijkse verlenging daarvan, uithuisplaatsingen en beslissingen tot beëindiging van het ouderlijk gezag. En aan de jeugdbeschermingsorganisatie werd de praktische uitvoering van de begeleiding in haar geheel opgedragen.
Die regeling klinkt juridisch correct, maar in het kinderbeschermingsrecht gaat het nu eenmaal niet om toepassing van het gewone burgerlijk recht en geschillen tussen partijen met inschakeling van een onafhankelijke rechter, maar om een aparte rechtsfiguur. In wezen gaat het daar om bij wet geregelde noodzakelijke begeleiding van kinderen en ouders (met verschillende gradaties in het verplichte karakter van die begeleiding). Echter, als er bij een kind iets ernstig fout loopt in de begeleiding dan heeft de kinderrechter thans sinds de wetswijziging niet meer de bevoegdheid om rechtstreeks corrigerend in te grijpen. Maar de praktijk maakt dat wel noodzakelijk en zelfs onmisbaar, zoals uit de zaak van het Vlaardings meisje wel naar voren komt. Dat is bij de herziening van het kinderrecht destijds, waarbij vooral gelet is op de scheiding der machten, niet scherp gezien.
Aan de wetgever is daarom thans de taak de huidige bevoegdheid van de kinderrechter met bedoelde ambtshalve bevoegdheid uit te breiden en zulks moet dan gaan gelden voor het gehele veld van de kindbegeleiding, dus zowel voor formeel onder toezicht gestelde kinderen als ook voor vrijwillig begeleide kinderen en eveneeens voor kinderen, op wie een voogdijmaatregel van toepassing is. En uiteraard moet de kinderrechter zelf ook gecontroleerd kunnen worden en wel door de mogelijkheid te openen van hoger beroep tegen zijn beslissing. En deze beroepsmogelijkheid moet dan wel openstaan zowel voor kind, ouder, ingeschakelde opvoeder(s) als ook voor de kinderbeschermingsinstelling.
Dit artikel is gepubliceerd in NJB 2026/351, afl. 7
Afbeelding: ©istock