Kijken in de keuken van de Hoge Raad. De toepassing van artikel 80a RO in strafzaken.

De machine van artikel 80a RO is steeds meer geolied aan het raken. Deze bijdrage1 strekt tot doel inzicht te verschaffen in de wijze waarop de selectie aan de poort op grond van dat artikel is vormgegeven en of die benadering voldoet aan de wensen van de wetgever. Kansloze en soms minder kansloze klachten worden, in de regel zonder conclusie van de advocaat-generaal en zonder een op de klacht toegesneden motivering, aan de poort geweerd.

De verdachte hoeft niet bang te zijn dat naar zijn klachten niet serieus wordt gekeken, al blijft een gemotiveerde reactie van de Hoge Raad op zijn klachten steeds vaker uit. Naast onterecht voorgestelde klachten bestaat ook de categorie terecht voorgestelde klachten die niet tot cassatie leiden, omdat het belang bij cassatie in de ogen van de Hoge Raad evident ontbreekt. De Hoge Raad stelt het belang bij cassatie in de procedure meer en meer centraal. Het is de vraag of dat is wat de wetgever met deze regeling heeft beoogd. Door deze gang van zaken is de rechtsbescherming niet verdwenen, maar is zij wel ‘wat op het tweede plan geraakt’.

1. Inleiding

Op 1 juli 2012 werd artikel 80a RO van kracht.2 Sindsdien kan de Hoge Raad cassatieberoepen ‘aan de poort’ niet-ontvankelijk verklaren, als de voorgestelde klachten evident kansloos zijn of als evident onvoldoende belang bestaat bij het beroep. In het bijzonder de Strafkamer van ons hoogste rechtscollege maakt royaal gebruik van deze bevoegdheid. Vandaag de dag mag nog slechts 38% van de beroepen zich verheugen op het passeren van de cassatiepoort.3 De rest wordt met een standaardmotivering – en dikwijls zonder conclusie van de advocaat-generaal – niet-ontvankelijk verklaard. Deze bijdrage strekt tot doel inzicht te verschaffen in de wijze waarop de selectie aan de poort is vormgegeven en of die benadering lijkt te voldoen aan de wensen van de wetgever.4 Ter inleiding en aldus op hoofdlijnen wordt in par. 2 de totstandkoming van artikel 80a RO en de rechtspraak van de Hoge Raad besproken. De wetgever stelde onder meer de eis dat selectie aan de poort niet ertoe zou leiden dat zaken inhoudelijk minder vergaand behandeld zouden worden.5 Om te bezien of aan die eis wordt voldaan, is onderzoek verricht door middel van aanwezigheid bij raadkamers waar deze zaken worden besproken. Daarvan wordt in par. 3 verslag gedaan, terwijl ook beschreven zal worden wat er met een schriftuur gebeurt vanaf het moment dat de raadsman haar indient tot het moment van niet-ontvankelijkverklaring. De tijdens deze raadkamers besproken zaken zijn gepubliceerd, evenals de bijbehorende schrifturen en arresten van de hoven.6 Daarmee wordt getracht het wat heimelijke karakter van de toepassing van artikel 80a RO in bepaalde mate weg te nemen. Normaliter worden schrifturen niet gepubliceerd, zodat het de buitenstaander onduidelijk is welk soort klachten aan de poort worden geweigerd. In par. 4 wordt getracht een rode lijn te ontdekken in de onderzochte uitspraken. Het ordenen van alle zaken gaat het bestek van deze bijdrage te buiten. In een aparte bijlage zijn daarom van elk van de uitspraken de kerngegevens opgenomen en is aangegeven waar de klacht(en) zich tegen richt(en).7 De bijdrage wordt afgesloten met een conclusie.

2. Wetsgeschiedenis en rechtspraak Hoge Raad

Wetsgeschiedenis8

Al decennia lang wordt de Hoge Raad geconfronteerd met een toenemend aantal zaken. Hoewel vaak de indruk lijkt te bestaan dat de invoering van artikel 80a RO in de sleutel van de werklastbesparing moet worden geplaatst, is dit niet het geval.9 De commissie Hammerstein werd immers als taak meegegeven voorstellen te doen die de ‘normstellende rol van de Hoge Raad’ zouden kunnen versterken.10 De versnelde ontvankelijkheid die zij voorstelde, had niet zo zeer tot doel om de Hoge Raad minder werk te laten verzetten. Doel was om minder aandacht en tijd te besteden aan zaken die de aandacht van de Hoge Raad – in de ogen van de commissie – niet verdienen, zodat meer tijd over zou blijven voor de rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Een afschaffing van de rechtsbeschermende taak zou dat niet tot gevolg hebben, al wilde de minister dat zaken waarin geen belangrijk aspect van rechtsbescherming aan de orde is, zo spoedig mogelijk afgedaan zouden kunnen worden.11 Dat zou bereikt worden door op zichzelf terecht voorgestelde klachten niet tot cassatie te laten leiden, indien het belang van de verdachte bij het beroep ‘klaarblijkelijk onvoldoende’ is.12 Gebrekkige arresten die de Hoge Raad voorheen placht te casseren, zouden in het vervolg overeind blijven wanneer het belang bij cassatie evident ontbreekt. In de woorden van de minister gaat het dan om ‘gevallen waarin na verwijzing toch geen andere beslissing zou kunnen volgen. Dit zijn gevallen waarin de motivering van de feitenrechter niet helemaal vlekkeloos is of waarin kleine vormfouten zijn gemaakt, die echter op de uiteindelijke beslissing niet van invloed kunnen zijn geweest, zodat verdwijnen van rechtsbescherming niet aan de orde is’. Uit deze woordkeuze spreekt een bepaalde evidentie. De mogelijkheid dat de fout wél op de beslissing van de feitenrechter van invloed is geweest, lijkt toepassing van artikel 80a RO uit te sluiten. Zo bezien lijkt ook niet veel rechtsbescherming verloren te (kunnen) gaan.13
Ook evident kansloze klachten, namelijk klachten die ‘klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden’ kunnen het lot van artikel 80a RO treffen. De Hoge Raad kon echter middelen al verwerpen op basis van artikel 81 RO, onder de algemene motivering dat de klacht niet tot cassatie kan leiden en zij evenmin noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtsontwikkeling of rechtseenheid. De toegevoegde waarde van artikel 80a RO ten opzichte van artikel 81 RO lijkt in de ogen van de minister vooral te zijn dat artikel 80a RO kan worden toegepast zonder dat de procureur-generaal een conclusie heeft genomen.14
Tot een afdoening op de voet van artikel 80a RO wordt slechts besloten door drie leden van de meervoudige kamer (lid 3), nadat zij ten minste de schriftuur hebben geraadpleegd (lid 2).

Rechtspraak Hoge Raad

Spoedig na inwerkingtreding, op 11 september 2012, wees de Hoge Raad het eerste overzichtsarrest dat betrekking had op de toepassing van artikel 80a RO.15 Reeds in dat arrest gaf de Hoge Raad aan dat, vanwege de casuïstiek, lastig een definitief antwoord te geven is op de vraag welke klachten voor artikel 80a RO in aanmerking (zullen) komen. Daarnaast werd aangestipt dat de selectie aan de poort zich – net als artikel 81 RO – in de loop der tijd zou gaan ontwikkelen. Op 7 juni 2016 volgde een tweede overzichtsarrest, waarin een actueel overzicht werd gegeven van de stand van de jurisprudentie.16 In de arresten wordt eerst aandacht besteed aan arresten met ‘zaakoverstijgende’ betekenis. In dat kader moet er onder meer aan gedacht worden dat de Hoge Raad artikel 80a RO – anders dan artikel 81 RO – niet partieel toepast,17 voor ambtshalve cassatie (nog) minder plaats is in geval een beroep zich leent voor toepassing van artikel 80a RO,18 dat het belang bij cassatie, wanneer dat niet evident is, door de steller van het middel zal moeten worden onderbouwd19 en dat strafvermindering in verband met de overschrijding van de redelijke termijn niet wordt toegepast wanneer de andere middelen op zichzelf niet aan toepassing van artikel 80a RO in de weg staan.20
Verder bespreekt de Hoge Raad de categorie kansloze klachten en de klachten met evident onvoldoende belang en noemt hij daarvan voorbeelden. Daarbij lijkt sprake te zijn van een verschrijving of een vermenging van de twee categorieën. De Hoge Raad citeert de memorie namelijk zo, dat hij de categorie ‘kansloze’ klachten omschrijft als die ‘gevallen waarin na verwijzing toch geen andere beslissing zou kunnen volgen’, omdat het kleine gebreken in het arrest van het hof betreft die toch niet van invloed kunnen zijn geweest op diens beslissing. Eerder zagen we dat de minister aangaf dat die gevallen juist tot de andere categorie behoren: een klacht kan wel terecht zijn voorgesteld, maar zij leidt niet tot cassatie omdat het hof, als het zich bewust van deze fout was geweest, niet tot een andere beslissing zou kunnen zijn gekomen. Het lijkt om een verschrijving te gaan.21 Dat leid ik af uit het feit dat de Hoge Raad de categorieën zelf in de arresten nadrukkelijk scheidt, maar nog meer uit het feit dat na dit citaat een opsomming volgt van klachten die naar hun aard kansloos zijn: klachten die een tardief verweer behelzen, die zich richten tegen een overweging ten overvloede en die opkomen tegen geenszins onbegrijpelijke feitelijke oordelen.
In cassatie moet de verdachte een rechtens te respecteren belang hebben.22 De enkele mogelijkheid van een andere uitkomst na terug- of verwijzing, bijvoorbeeld omdat door een langere procedure de straf mogelijk lager uit zal pakken, wordt door de Hoge Raad niet als een dergelijk belang beschouwd. Verbazing wekt dat niet. In een ander geval zou bij cassatie bijna per definitie belang bestaan, zodat artikel 80a RO in zoverre zinledig zou zijn.
De verdediging wordt telkens op het hart gedrukt dat zij het belang, indien dat niet evident is, in de schriftuur moet onderbouwen en – misschien nog wel belangrijker – dat het niet of onvoldoende voeren van verweren in hoger beroep fataal kan zijn voor de latere kansen in cassatie. Wat men ook moge vinden van de eisen die in dit kader aan de verdediging worden gesteld, het onderstreept weer eens het belang van het tijdig en gemotiveerd te berde brengen van verweren. De kansen voor een geslaagd cassatieberoep worden niet zelden door de verweren in appel bepaald. De Hoge Raad spreekt overigens bij herhaling over ‘niet voldoende belang’ en over ‘het belang van de verdachte bij het beroep is niet evident’, terwijl artikel 80a RO naar de letter van de bepaling pas toepassing kan vinden als het belang klaarblijkelijk (oftewel: evident) onvoldoende is. Dit kenmerkt de uitleg die de Hoge Raad is gaan geven aan het belangcriterium. In elk geval houdt hij niet strikt vast aan de woordkeuze in de memorie van toelichting, die zo opgevat kan worden dat min of meer theoretisch moet kunnen worden uitgesloten dat de fout van invloed is geweest op de beslissing van het hof. Exemplarisch zijn de gevallen waarin sprake is van strafverzwarende omstandigheden die geen grondslag vinden in de bewezenverklaring.23 Dan is de fout van het hof juist wel op diens beslissing van invloed geweest. Per saldo is de straf wellicht dezelfde, maar daarover bestaat ten eerste geen zekerheid en dit neemt evenmin weg dat de bewezenverklaring onjuist is gekwalificeerd. Hoewel de Hoge Raad zelf heeft vastgesteld dat de braak niet uit de bewijsmiddelen kon worden afgeleid, staat op het uittreksel Justitiële Documentatie van de betreffende verdachte vervolgens bijvoorbeeld ‘diefstal met braak’ vermeld. De redenering – die onder meer inhoudt dat het hof in zijn strafmotivering geen aandacht heeft besteed aan de strafverzwarende omstandigheden – is, in ogenschouw genomen dat de Hoge Raad nauwelijks eisen stelt aan de motivering van de straf, weinig overtuigend.24
Ook kunnen onder omstandigheden klachten die terecht klagen dat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid het lot van artikel 80a RO treffen, al is de Hoge Raad hier duidelijker over: daarbij is bijzondere voorzichtigheid geboden en daarvan kan slechts sprake zijn als in redelijkheid geen twijfel kan bestaan over de toereikendheid en betrouwbaarheid van het bewijs.25
De Strafkamer van de Hoge Raad pleegt zich bij toepassing van artikel 80a RO te beperken tot de standaardmotivering dat – kort gezegd – het beroep niet-ontvankelijk verklaard wordt omdat de klachten klaarblijkelijk kansloos zijn of het belang bij het beroep klaarblijkelijk onvoldoende is.26 Dat geldt voor de Belastingkamer niet anders. A-G Niessen wijdde een uitgebreide conclusie aan de toepassing van artikel 80a RO in belastingzaken. Daarin gaf hij de Belastingkamer in overweging aan deze standaardmotivering ‘standaardoverwegingen toe te voegen die de grond voor de afwijzing van de klachten aanwijzen zonder deze in concreto te behandelen’, onder meer zodat degene die het betreft in elk geval enige lering kan trekken uit het arrest.27 Duidelijk wordt dan bijvoorbeeld of de klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag of omdat daarin vaste rechtspraak wordt miskend. Dit aansprekende voorstel is door de Belastingkamer niet overgenomen.28 Zij overwoog daartoe dat de tijdsbesparing door artikel 80a RO als gevolg van deze verandering wordt verminderd en dat rechtsontwikkeling noch rechtseenheid bij dergelijke standaardoverwegingen gebaat zijn. Het extra inzicht dat aan de individuele belanghebbende wordt verschaft zou bovendien beperkt zijn. De omstandigheid dat de Strafkamer in deze zaken niet zelf de keuze heeft gemaakt meer op de zaak toegespitst te motiveren, doet het vermoeden rijzen dat daarbinnen niet een andere koers wordt voorgestaan.

3. Van binnenkomst tot uitgang

In deze paragraaf wordt antwoord gegeven op de vraag wat er gebeurt met een schriftuur vanaf het moment dat zij wordt ingediend tot het moment dat artikel 80a RO toepassing vindt en het arrest van het hof onherroepelijk wordt.

Selectieteam

De schrifturen waarin middelen zijn ingediend, bereiken een week nadat de Hoge Raad deze heeft ontvangen het zogeheten selectieteam. Momenteel betreft dat wekelijks zo’n 40 tot 60 zaken. Daar wordt, alvorens inhoudelijk naar de zaak wordt gekeken, getoetst of de schriftuur tijdig is ingediend en of ook overigens aan de formele vereisten is voldaan. Dit team, bestaande uit een aantal ervaren medewerkers van het Wetenschappelijk Bureau van de Hoge Raad, splitst de zaken uit in twee categorieën.29 De ene categorie bestaat uit zaken waarbij na bestudering blijkt dat de zaak voor een 80a-afdoening in aanmerking zou kunnen komen. In die gevallen schrijft een van de leden van het team een pre-advies, waarin per middel beknopt wordt uitgelegd waarom het klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden of waarom de partij die het beroep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij cassatie. De andere categorie wordt gevormd door zaken waarin het selectieteam voorstelt dat een conclusie wordt genomen. Die zaken worden verdeeld onder de advocaten-generaal, die overigens geen kennis nemen van het pre-advies.
Een (bijkomend) effect van deze handelwijze is dat in een vroeg stadium inzichtelijk wordt welke zaken de Hoge Raad bereiken. Zo kan, indien en voor zover de Hoge Raad dat nodig acht, voorrang worden gegeven aan bepaalde zaken. Zaken waarbij een groot maatschappelijk belang speelt, zaken waarin verdachten preventief gedetineerd zijn, zaken waarin sprake is van slachtoffers, tbs-zaken, jeugdzaken, spoedbeschikkingen (beschikkingen waarbij het verschoningsrecht een rol speelt) en dergelijke kunnen op deze wijze eerder aan bod komen.

Het Parket

Het Parket bij de Hoge Raad krijgt, zoals hiervoor beschreven, zaken uit twee stromen voorgeschoteld: de zaken waarin het selectieteam aangeeft dat het nemen van een conclusie aangewezen lijkt en de zaken waarin het selectieteam een 80a-afdoening voorstelt. De advocaat-generaal kan na bestudering van beide soorten zaken ervoor kiezen geen standpunt in te nemen, terwijl hij uiteraard ook conclusie kan nemen in de zaken die hem daarvoor geschikt voorkomen. De zaken waarin hij ervoor kiest geen standpunt in te nemen en zaken waarin hij concludeert tot toepassing van artikel 80a of tot integrale verwerping op de voet van artikel 81 RO worden onderdeel van het Algemene Zaken-overleg van de Hoge Raad.

Algemene Zaken

Elke week vindt bij de Hoge Raad het Algemene Zaken-overleg (AZ-overleg) plaats. Ongeveer twee weken voor elk overleg worden aan de zetel van drie raadsheren de zaken rondgestuurd die op dat overleg aan de orde komen. Per zaak worden de schriftuur en ook andere stukken zoals het arrest van het hof en het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep geraadpleegd. Bovendien kunnen de raadsheren digitaal alle relevante stukken raadplegen. Hoewel de wetsbepaling de mogelijkheid biedt, wordt aldus niet volstaan met het raadplegen van de schriftuur. Voor klachten over ’s hofs motivering is het werpen van een blik op het arrest in haast alle gevallen essentieel. Ook ontvangen de raadsheren van de zetel – anders dan de advocaten-generaal – het door het selectieteam opgestelde pre-advies. Tijdens het overleg wordt elke zaak besproken. De middelen die worden ingediend zijn – ook wat betreft kwaliteit – zeer uiteenlopend, zodat het geen verbazing wekt dat de ene zaak meer aandacht en tijd behoeft en krijgt dan de andere. De ene klacht is duidelijk kansloos, een andere vergt bepaalde studie. Een inhoudelijke discussie sluit overigens geenszins uit dat artikel 80a RO wordt toegepast. In voorkomend geval kan juist deze discussie ervoor zorgen dat de zetel tot de slotsom komt dat een zaak geen behandeling in cassatie verdient. De conclusie moet dan ook luiden dat de Hoge Raad de eis van de wetgever, namelijk dat ook zaken die op de voet van artikel 80a RO worden afgedaan een volle inhoudelijke behandeling krijgen, naleeft. Tegelijk is dan de vraag in hoeverre in gevallen waarin die discussie wordt gevoerd, nog gezegd kan worden dat een klacht evident kansloos is.30 Indien de zetel evenwel tot het oordeel komt dat het beroep zich niet leent voor niet-ontvankelijkheid aan de poort, verzoekt hij de procureur-generaal alsnog conclusie te nemen. Indien de Hoge Raad oordeelt dat toepassing kan worden gegeven aan artikel 80a RO, wordt het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

4. Onderzochte arresten

In het kader van dit onderzoek zijn 159 uitspraken bekeken. In al deze uitspraken heeft de Hoge Raad de verdachte31 niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO, nadat het Parket afzag van het innemen van een standpunt. De zaken zijn het resultaat van zes overleggen Algemene Zaken. De steekproef is aselect uitgevoerd. Beschikkingen en ontnemingszaken zijn vanwege hun uitzonderlijke karakter echter niet meegenomen in dit onderzoek, terwijl uitleveringen niet voorkwamen in de selectie. Het onderzoek ziet derhalve slechts op ‘gewone’ strafzaken.

Waartegen richten klachten zich?

In de 159 zaken werden over diverse kwesties in totaal 233 middelen voorgesteld. Ongeveer twee op de drie middelen (155) zijn bewijs(motiverings)klachten in de breedste zin van het woord.32 Dan valt onder meer te denken aan middelen die klagen dat de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, dat de bewijsvoering innerlijk tegenstrijdig is, dat het vereiste steunbewijs ontbreekt, dat het hof ten onrechte niet of onvoldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt of dat een alternatief scenario ontoereikend is verworpen.
In iets meer dan 12% van de gevallen (29) wordt geklaagd over de strafmotivering. Niet zelden houdt de klacht in dat de verdediging omstandigheden heeft aangedragen die een lagere straf rechtvaardigen, maar dat het hof aan deze omstandigheden geen kenbare aandacht heeft besteed in zijn strafmotivering.33 Ook wordt geklaagd dat het hof in strijd met artikel 359 lid 6 Sv een vrijheidsbenemende straf opgelegd heeft zonder in het bijzonder de redenen op te geven die tot deze keuze hebben geleid,34 ontoereikend gemotiveerd een hogere of zwaardere straf oplegt dan de advocaat-generaal in hoger beroep eiste,35 niet heeft gemotiveerd waarom een proeftijd van drie jaar is opgelegd in plaats van een proeftijd van twee jaar,36 ontoereikend heeft gemotiveerd waarom het de voorwaardelijke invrijheidstelling volledig (en dus niet gedeeltelijk) herroept37 en dat het oordeel dat voorwerpen verbeurd worden verklaard onbegrijpelijk is.38
Ten aanzien van de overige 49 klachten (iets meer dan 21%) kan niet gezegd worden dat een bepaalde categorie oververtegenwoordigd is. Klachten over de betekening van de dagvaarding, vormverzuimen, strafuitsluitingsgronden en getuigenverzoeken passeren allemaal de revue, maar geen van alle komt zo vaak voor dat daaruit zinvolle conclusies kunnen worden getrokken, zodat hier met de constatering ervan kan worden volstaan.

In welke gevallen wordt artikel 80a RO toegepast?

Als gezegd, wordt in het overgrote deel van de gevallen geklaagd over oordelen omtrent het bewijs en dan vooral over de motivering die daaraan ten grondslag ligt. Deze klachten, die niet zelden om een feitelijke herbeoordeling vragen die de Hoge Raad niet kan bieden, behoeven op zichzelf niet kansloos te zijn. Wel is het zo dat dergelijke oordelen van hoven in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden getoetst. Die marginale toets houdt in dat de Hoge Raad eerst casseert als de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid of als de bewijsvoering (op niet-ondergeschikte punten) innerlijk tegenstrijdig is. Hoewel wekelijks op deze grond arresten worden gecasseerd, is de kans om met een bewijsklacht cassatie te bewerkstelligen niet groot.39 Bewijsklachten kunnen kansloos zijn om diverse redenen. In voorkomend geval wordt een oordeel aangevallen dat geenszins onbegrijpelijk is, omdat de bewezenverklaring moeiteloos uit de bewijsmiddelen volgt. Hier volgen daarvan willekeurige voorbeelden:

• De klacht richt zich tegen het medeplegen van vernieling van de ruit van een woning. Uit de verklaring van de aangever volgt dat hij onder andere verdachte aanwijst als degene die vuurwerk tegen zijn ruit heeft gegooid. Uit een aantal andere verklaringen volgt dat een groepje mannen voor de deur stond en vuurwerk in de richting van de woning van het slachtoffer gooide. Bovendien besteedt het hof in een nadere bewijsoverweging apart aandacht aan de nauwe en bewuste samenwerking.40
• Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte hennepplanten heeft geteeld. Het middel richt zich tegen de vaststelling van het hof dat het om hennep zou gaan. Het hof baseert de bewezenverklaring op de vaststellingen dat 1. de verbalisant heeft geverbaliseerd dat hij een (daarna ontmantelde) hennepplantage aantreft, 2. bij ruiming van de hennepplantage wederom is opgemerkt dat er hennepplanten zijn afgevoerd, 3. de verdachte in eerste aanleg verklaart dat het zijn hennepplantage was, 4. hij zich goed heeft laten informeren voordat hij zijn geld in spullen investeerde en 5. hij hennep is gaan telen om extra inkomsten te genereren.41
• Een getuige ziet dat een van de verdachten de fiets vasthoudt en de andere het slot probeert open te krijgen. In cassatie wordt tevergeefs betoogd dat het vasthouden van de fiets, terwijl een ander het slot openmaakt, niet de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking oplevert.42
Wat verder voorkomt, is dat de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter ten aanzien van het bewijsmateriaal wordt miskend. In wezen volstaat de steller dan met een herhaling van of aanvulling op de pleitnota. Dat zijn klachten die in feitelijke aanleg absoluut hout kunnen snijden, maar waaraan in cassatie voorbij wordt gegaan. Middelen klagen dan onder meer dat het hof slechts op een zeer beperkt deel van het dossier acht heeft geslagen43 of dat de verklaring van verdachte niet tot het bewijs is gebezigd, terwijl hij expliciet over de gang van zaken heeft verklaard.44 Ook komt het voor dat de steller de klacht zeer summier onderbouwt. De vinger wordt dan niet (voldoende duidelijk) op de zere plek gelegd met als gevolg dat het middel aan kracht inboet.

Tevens gebeurt het dat men vaste rechtspraak miskent of dat in middelen eisen worden gesteld die het recht niet kent.45 Opkomen tegen vaste rechtspraak is zonder meer te prijzen, maar wanneer dit gebeurt zonder argumenten aan te voeren waarom die vaste rechtspraak anders zou moeten zijn, ligt artikel 80a RO al gauw op de loer.
De meer normatieve vraag of dergelijke middelen door advocaten zouden moeten worden ingediend, kan hier in het midden blijven. Een verdachte kan de executie van de straf willen doen uitstellen of koste wat het kost willen doorprocederen.46 Bezien vanuit het perspectief van de verdachte is daarvoor veel te zeggen. Veelal wordt een toevoeging verstrekt en zijn de kosten voor hem daardoor gering, terwijl de kans dat de verdachte er na een geslaagd cassatieberoep slechter af komt, evenmin groot is.47 Voor de verdachte gaat het pas echt tellen als namens hem niet of onvoldoende wordt geklaagd over een punt dat mogelijk wél tot cassatie zou hebben geleid. Hij heeft dan het nakijken, omdat zijn raadsman heeft verzuimd de klacht duidelijk en volledig op tafel te leggen. De cassatierechter is dan streng en casseert niet buiten de middelen om. In relativerende zin verdient opmerking dat de Hoge Raad, als hij meent te moeten casseren, bereid is middelen ruim uit te leggen en daarin klachten te lezen die er in wezen niet of onvoldoende staan: semi-ambtshalve cassatie.48
De stelling dat de beroepen die met artikel 80a RO worden afgedaan klachten behelzen die onzinnig zijn en kant noch wal raken, gaat in haar algemeenheid niet op. Sterker nog, van de meeste klachten kan niet gezegd worden dat deze kansloos zijn, in de zin dat de voorgestelde klacht onzinnig is. Zo komt het niet vaak voor dat een middel geen cassatiemiddel is in de zin der wet, omdat geen sprake is van een ‘stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen’.49 In de regel kan in het middel duidelijk een klacht worden gelezen. Dat neemt niet weg dat de beroepen die met artikel 80a RO worden afgedaan, gemiddeld genomen van een lagere kwaliteit zijn dan de beroepen waarbij dat niet het geval is. Hoewel niet alleszeggend, leert een snelle steekproef dat leden van de specialisatievereniging voor cassatieadvocaten in strafzaken (VCAS) significant minder vaak tegen een niet-ontvankelijkverklaring aan de poort aan lopen dan niet-leden.50
Dat een middel voldoet aan de eisen die daaraan mogen worden gesteld in de zin dat men oog heeft voor de cassatietechniek, zegt echter niets over hoe kansrijk het middel is. Niettemin bevond zich in de selectie uitspraken ook een groot aantal uitspraken waarbij de cassatietechniek in orde was én waarbij het bestempelen van de klacht als kansloos te weinig eer zou doen aan de inhoud ervan. In die gevallen snijdt de steller van het middel een goed punt aan, maar volgt de Hoge Raad hem niet omdat hij de overweging van het hof anders of ruimer leest,51 of omdat de Hoge Raad tot het oordeel komt dat de bewezenverklaring bepaald niet onbegrijpelijk en wel toereikend gemotiveerd is. In elk geval hoeft een afdoening op de voet van artikel 80a RO vaak niet beschouwd te worden als een standje. Het is zelfs zo dat het criterium van artikel 80a RO (de klacht is evident kansloos) en dat van artikel 81 RO (het middel faalt en de rechtseenheid en rechtsontwikkeling zijn niet gebaat bij uitleg waarom het middel faalt) steeds lastiger van elkaar kunnen worden onderscheiden. Ter illustratie volgen enkele voorbeelden van zaken waarin in mijn ogen geen klachten worden aangevoerd die evident kansloos zijn:52

• Het aanhoudingsverzoek is door het hof gemotiveerd afgewezen. In hoger beroep legde de raadsman aan het verzoek onder meer ten grondslag dat verdachte verkeerde in een tentamenperiode, maar wel graag bij de zitting aanwezig wilde zijn om zijn persoonlijke omstandigheden toe te lichten.53
• Het hof stelt vast dat vanuit een toilethokje, waarin beide verdachten aanwezig zijn, vuurwerk naar een naastgelegen toilethokje wordt geschopt en dat verdachten dit plan samen moeten hebben gemaakt en uitgevoerd. Het middel klaagt over de bewezenverklaring van medeplegen.54
• De klacht richt zich tegen het oordeel dat van gewoontewitwassen sprake is, nu het hof van 21 van de 40 geldtransacties niet heeft vastgesteld om wat voor transacties het gaat. Dat doet het hof bij de overige transacties wel; verdachte wisselde telkens kleine coupures voor grotere coupures.55
Dit zijn echter slechts enkele voorbeelden, een hoog subjectief gehalte kan aan de selectie ervan niet worden ontzegd en bovendien ligt daaraan geen uitgebreide redenering ten grondslag ligt. Toch wijzen ook meer objectieve gegevens in de richting dat de voornoemde criteria vermengd raken:
• In de zaken na 1 januari 2016 gewezen waarin de procureur-generaal een conclusie heeft genomen die strekte tot vernietiging of verwerping en dus niet tot toepassing van artikel 80a RO, heeft de Hoge Raad slechts in één zaak alsnog toepassing aan deze bepaling gegeven met als uitleg dat de klacht evident kansloos was.56 In alle andere zaken kan de Hoge Raad zich kennelijk verenigen met het oordeel van de advocaat-generaal dat de klacht niet reeds bij de poort als evident kansloos kan worden aangemerkt.57 Het afzetten van het aantal ‘niet-80a’-conclusies dat is genomen in 2016 (755)58 tegen het aantal van deze zaken waarin de Hoge Raad in weerwil van de procureur-generaal artikel 80a RO toepast sec, brengt in elk geval de conclusie mee dat op dit punt sterke eensgezindheid bestaat tussen Raad en Parket. Die eensgezindheid is natuurlijk niet opmerkelijk. In zaken waarin de advocaat-generaal inhoudelijk (diep) op de zaak ingaat, zal ook in de ogen van de Hoge Raad immers niet snel sprake zijn van een klaarblijkelijk falend geval. Maar is het nu echt zo dat in alle andere zaken waarin het Parket anders concludeert, de Hoge Raad ook van oordeel is dat aan artikel 80a RO geen toepassing kan worden gegeven? Het komt mij onwaarschijnlijk voor.
• Zoals eerder vermeld, voeren de raadsheren in voorkomend geval discussie over een middel en over de uitleg die daaraan moet worden gegeven. Die enkele omstandigheid kan al de indruk wekken dat het middel niet kansloos is.
• Uit de onderstaande grafiek kan worden afgeleid dat de nodige beroepen die voorheen met de motivering van artikel 81 RO werden afgedaan, tegenwoordig niet verder komen dan de poort van artikel 80a RO. Middelen die een paar jaar geleden niet als kansloos werden bestempeld, worden dat nu kennelijk wel. Daar komt bij dat ook het percentage van beroepen dat in het geheel niet wordt uitgeschreven, in de loop van de jaren is gestegen. De Hoge Raad voelt kennelijk steeds minder vaak de behoefte om uit te leggen waarom een middel niet tot cassatie leidt.

Afbeelding


Hiermee is zeker niet gezegd dat beide modaliteiten inwisselbaar zijn. Door de bank genomen zal een klacht die met de aan artikel 81 RO ontleende motivering wordt verworpen, veel meer om het lijf hebben. Vaak volgt een artikel 81 RO-afdoening, nadat in de conclusie haarfijn is uitgelegd waarom het middel niet tot cassatie leidt. Wel groeien de artikelen 80a en 81 RO steeds meer naar elkaar toe. Voor de hand ligt daarom de twee bepalingen in elkaar te laten opgaan. De drie verschillen op dit moment zijn dat een afdoening op de voet van artikel 81 RO vereist dat een conclusie is genomen, de Hoge Raad de redelijke termijn-korting toepast als de middelen op zichzelf rijp zijn voor toepassing van artikel 81 RO en dat artikel 81 RO per middel wordt toegepast en artikel 80a RO slechts ten aanzien van het gehele cassatieberoep. In geen van deze drie verschillen zijn echter inhoudelijke argumenten te ontdekken die het nut van twee naast elkaar bestaande modaliteiten aantonen, terwijl een systeem met één modaliteit onduidelijkheid weg zou kunnen nemen en meer recht doet aan de heersende praktijk.59

Opvallend genoeg zijn de terecht voorgestelde klachten waarbij het belang ontbreekt en waarbij sterk eraan getwijfeld kan worden of de fout niet op de beslissing van het hof van invloed is geweest, nogal in de minderheid.60 Mogelijk is de oorzaak daarvan gelegen in het feit dat de Hoge Raad in de overzichtsarresten met voorbeelden duidelijk heeft gemaakt wanneer het belang bij cassatie kan ontbreken. Toch is het aantal vernietigingen sinds de invoering van de selectie aan de poort danig afgenomen. Waar in 2011 nog 13,9% van de cassatieberoepen werd vernietigd en teruggewezen of verwezen, gold dat vorig jaar slechts nog voor 8,6%: een daling van ruim 38%.61 Bij het leggen van causale verbanden op grond van deze cijfers moet overigens de nodige voorzichtigheid worden betracht: de percentages vernietigingen lagen begin deze eeuw namelijk rond hetzelfde niveau als nu.62 Aanwijzingen dat de Hoge Raad nog terughoudender is gaan toetsen en aldus een kleiner deel van de oordelen van hoven als onbegrijpelijk bestempelt, lijken er op het eerste gezicht niet te zijn.63 Desondanks is waakzaamheid in dit kader geboden. De omstandigheid dat de Hoge Raad zelf bepaalt welke oordelen al of niet begrijpelijk zijn, maakt het mogelijk dat via die weg de rechtsbescherming aan terrein verliest. Dat is in elk geval niet wat met de invoering van de selectie aan de poort is beoogd.

5. Conclusie

Anders dan normaal gesproken het geval is, zijn de onderzochte arresten én de daaraan gehechte schrifturen in het kader van dit onderzoek geopenbaard. Dit komt vanzelfsprekend de transparantie ten goede. Het zou aanbeveling verdienen van dit incident een gewoonte te maken, niet in de laatste plaats omdat het om meer dan zes van de tien zaken gaat die de Hoge Raad behandelt.64 De buitenstaander krijgt op die manier inzicht in wat voor zaken op de artikel 80a RO-stapel belanden.65 Bovendien kan de mogelijke aanname dat de Hoge Raad zaken aan de poort weigert die daarvoor ongeschikt zijn, dan door een ieder worden getoetst. De beslissingen komen van het hoogste rechtsprekend orgaan en dat rechtvaardigt dat de burger meer inzicht in die beslissingen wordt geboden.
Dan wat betreft de inhoud. De machine van artikel 80a RO is onderhand steeds meer geolied aan het raken. Kansloze en soms minder kansloze klachten worden, in de regel zonder conclusie van de advocaat-generaal en zonder een op de klacht toegesneden motivering, aan de poort geweerd. De verdachte hoeft niet bang te zijn dat naar zijn klachten niet serieus wordt gekeken, al blijft een gemotiveerde reactie van de Hoge Raad op zijn klachten steeds vaker uit. Het uitblijven van een antwoord is voor de verdachte in dit kader het grootste pijnpunt: het betreft immers klachten die, of de Hoge Raad de verwerping of niet-ontvankelijkverklaring nu uitschrijft of niet, toch niet tot cassatie leiden.
Naast onterecht voorgestelde klachten bestaat ook de categorie terecht voorgestelde klachten die niet tot cassatie leiden, omdat het belang bij cassatie in de ogen van de Hoge Raad evident ontbreekt. De Hoge Raad stelt het belang bij cassatie in de procedure meer en meer centraal. Het is de vraag of dat is wat de wetgever met deze regeling heeft beoogd. Door deze gang van zaken is de rechtsbescherming niet verdwenen, maar is zij wel ‘wat op het tweede plan geraakt’.66 De Hoge Raad is rechtsontwikkeling en rechtseenheid in steeds sterkere mate als zijn primaire taken gaan zien. Die ontwikkeling lijkt nog niet te zijn afgerond,67 maar de ruimte die artikel 80a RO ter verwezenlijking van dat doel biedt, is natuurlijk niet grenzeloos. Voor meer fundamentele en ingrijpende hervormingen en veranderingen zal uiteindelijk weer bij de wetgever moeten worden aangeklopt.

 

Dit artikel is verschenen in NJB 2018/301, afl. 6, p. 404.

 

Bron afbeelding: © Gary Waters / Alamy

 Voetnoten

  1. Mr. D. Bektesevic is advocaat bij De Roos & Pen te Amsterdam. Eerder verrichte hij bij de Hoge Raad onderzoek in het kader van de Togamaster (Erasmus Universiteit Rotterdam). Bijzondere dank gaat uit naar de Hoge Raad voor het faciliteren van dat onderzoek. De altijd waardevolle adviezen en gedachten van mr. dr. J.S. Nan mogen evenmin onvermeld blijven.
  2. Stb. 2012, 175.
  3. Alle cijfers in deze bijdrage zijn, tenzij anders vermeld, afkomstig uit de Jaarverslagen en -overzichten van de Hoge Raad.
  4. Van de door de minister beloofde evaluatie van de wet die na drie jaar zou plaatsvinden, is het vooralsnog niet gekomen, Kamerstukken I 2011/12, 32576, E.
  5. Kamerstukken I 2010/11, 32576, C, p. 1-2 en 4. Zie hierover ook A-G Knigge in zijn conclusie bij het eerste overzichtsarrest HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, par. 5.5.11.
  6. Gepubliceerd op rechtspraak.nl, uitspraakdata 13 en 20 december 2016, 10 en 31 januari 2017, 7 en 28 februari 2017.
  7. De bijlage is te raadplegen via https://deroosenpen.nl/advocaten/dino-bektesevic/
  8. Zie voor een uitgebreide analyse van de wetsgeschiedenis G. Pesselse, Selectie in cassatie, Tilburg: Celsus 2012.
  9. Kamerstukken II 2010/11, 32576, 6, p. 4. Zie ook Pesselse 2012, p. 31 en J.S. Nan, ‘Artikel 80a RO’, DD 2013/70.
  10. Rapport van de commissie normstellende rol Hoge Raad, Den Haag, 2008, p. 6.
  11. Kamerstukken II 2010/11, 32576, 3, p. 11. Raadsheer in de Strafkamer Röttgering pleitte in haar dissertatie juist voor meer rechtsbescherming: A.E.M. Röttgering, Cassatie in strafzaken. Een rechtsbeschermend perspectief (diss. Tilburg), Den Haag: Sdu 2013.
  12. In het voorontwerp werd nog gesproken van ‘te gering belang’. De minister paste deze formulering aan naar aanleiding van de adviezen van de Afdeling en de Adviescommissie voor het Burgerlijk procesrecht, Kamerstukken II 2010/11, 32576, 4, p. 5. In de Nota naar aanleiding van het verslag rept de minister ook nog over zaken ‘zonder enig belang’, Kamerstukken II 2010/11, 32576, 6, p. 16.
  13. Zo ook M.J. Borgers, ‘Doorpakken in cassatie’, NJB 2013/2122, afl. 36, p. 2506.
  14. Dat het de bedoeling was deze deur te openen wordt uit de wetsgeschiedenis wel duidelijk, Kamerstukken II 2010/11, 32576, 3, p. 20. Zie voor kritische noten hierover J.S. Nan, ‘De procureur-generaal bij de Hoge Raad en artikel 80a RO in strafzaken’, NJB 2015/148, afl. 3, p. 185.
  15. De overzichtsarresten verschenen in de NJ onder de nummers 241-244. In deze bijdrage zal in beginsel steeds worden verwezen naar HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241. De noot van Bleichrodt verscheen onder NJ 2013/245.
  16. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen.
  17. Die ruimte zag Borgers trouwens wel, zie Borgers 2013. Zie ook de conclusie van A-G Knigge voor het eerste overzichtsarrest HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0146, NJ 2013/241, onder 5.5.16. 
  18. Die overweging (en de uitwerking ervan in concreto) kon niet op een ieders enthousiasme rekenen: P.A.M. Mevis, ‘Versterking van het ‘piep’-systeem; tijd om te piepen?’, DD 2013/9 en W.H. Jebbink, ‘Hoe zuiver is de strafkamer van de Hoge Raad’, NJB 2013/951, afl. 18, p. 1201.
  19. Dat geldt in het bijzonder bij getuigenverzoeken, maar de eis dat het belang moet worden onderbouwd geldt ook in meer algemene zin.
  20. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, r.o. 2.4.2. Zie ook de conclusie van A-G Spronken hierover, ECLI:NL:PHR:2016:214, met name 6.11.
  21. Al is het zo dat ook in de wetsgeschiedenis deze twee categorieën vaker niet van elkaar onderscheiden worden. Zie daarover ook de conclusie van A-G Knigge onder HR 11 september 2011, ECLI:NL:HR:BX0146, NJ 2013/241, m.nt. Bleichrodt, onder 5.5.11. 
  22. Zie over het belang dat meer centraal is komen te staan in cassatie ook M.J. Borgers, ‘Artikel 80a RO: rechtshandhaving of belangenhandhaving?’, in: G. Knigge e.a. (red.), Gehoord de procureur-generaal (Fokkens-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 39-50.
  23. Zie voor andere voorbeelden de noot van Van Kempen onder HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, onder 10 en verder.
  24. Dit punt besprak ik wat uitgebreider in een recent verschenen annotatie, HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2536, NbSr 2017/373, m.nt. Bektesevic.
  25. HR 2 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5960, NJ 2013/383. Uiterste behoedzaamheid is in dit kader geboden volgens W.H. Jebbink, ‘Tussen casseren en repareren’, in: A.A. Franken & Th.J. Kelder (red.), Sporen in het strafrecht (Sjöcrona-bundel), p. 131-144.
  26. Dit lijdt uitzondering als de Hoge Raad voor de eerste maal uitlegt waarom een terechte klacht niet tot cassatie kan leiden vanwege onvoldoende belang.
  27. ECLI:NL:PHR:2017:198, met name vanaf 9.15.
  28. HR 11 augustus 2017, ECLI:NL:HR:2017:1609, NTFR 2017/2051, m.nt. Okhuizen.
  29. De derde categorie, die bestaat uit wat ook wel geheide vernietigingen worden genoemd, laat ik hier buiten beschouwing. Een geheide vernietiging volgt bijvoorbeeld als de gestelde raadsman in strijd met art. 48 Sv de stukken niet heeft ontvangen.
  30. In de wetsgeschiedenis wordt ook gesproken van een rechterlijke toets ‘na de poort’, Kamerstukken II 2010/11, 32576, 6, p. 2. Die omschrijving doet meer recht aan hoe de procedure thans is vormgegeven.
  31. In deze steekproef komt geen cassatieschriftuur van het openbaar ministerie voor.
  32. Zie daarover ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2015, p. 71 e.v. en de President van de Hoge Raad in de interne nieuwsbrief waaruit wordt geciteerd in de eerder aangehaalde conclusie van A-G Niessen, ECLI:NL:PHR:2017:198, 5.17.
  33. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3390; HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3400; HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3398; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3430; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3431; HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3432; HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:513.
  34. HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:787.
  35. HR 20 december2016, ECLI:NL:HR:2016:3419 (drie maanden gevangenisstraf in plaats van de geëiste 200 uur werkstraf); HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:794 (achttien maanden gevangenisstraf na eis van twaalf maanden).
  36. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3318, middel 2. 
  37. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3418.
  38. HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:496.
  39. J. Boksem & A.E.M. Röttgering, Cassatietechniek, een praktijkhandboek voor advocaten, Den Haag: Sdu 2014, p. 74 e.v. en J.C.M. Couzijn, Kans op cassatie in strafzaken (diss. Leiden), Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2007, p. 244 e.v. In nog sterkere mate geldt dat voor klachten over de strafmotivering.
  40. HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:796.
  41. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3408.
  42. HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3414.
  43. HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:509.
  44. HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:804.
  45. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3401 (bij een ontbrekend (proces)stuk dient de raadsman zich eerst tot de rolraadsheer te wenden alvorens hij daarover klaagt), HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:499 (middel 4: schending van art. 365a Sv wordt niet met een sanctie bedreigd), HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3421 (de niet-verschenen verdachte die ook geen schriftelijke bezwaren aanvoert tegen het vonnis, kan in hoger beroep niet-ontvankelijk worden verklaard zonder dat het hof verplicht is ambtshalve onderzoek te doen).
  46. Ten aanzien van dat laatste is hij afhankelijk van een raadsman, want zelf kan hij vanwege de schriftuurverplichting geen klachten voorleggen aan de Hoge Raad. Zie hierover J. Boksem, ‘Klaarblijkelijk onvoldoende belang’, in: M.S. Groenhuijsen, T. Kooijmans & J.W. Ouwerkerk (red.), Roosachtig strafrecht. Liber amicorum Theo de Roos, Deventer: Kluwer 2013, p. 6-7.
  47. Al komt ook dat voor, HR 10 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:513
  48. Een voorbeeld dat hierop duidt is HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:587. A-G Bleichrodt gaf aan dat ‘duidelijk is dat de ondergrens van wat als een cassatiemiddel in de zin van de wet kan gelden bij de ingediende grieven in zicht komt’. De Hoge Raad merkte vijf van de zes middelen niet aan als middel in de zin van art. 437 Sv, om vervolgens het zesde middel te laten slagen.
  49. Spaarzame voorbeelden zijn HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:786 (middel 3) en HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:824 (middel 4).
  50. In maart en april 2016 werd in 73% van de arresten die op rechtspraak.nl zijn gepubliceerd middelen door VCAS-(aspirant)leden ingediend. In de door mij onderzochte selectie was dat 29%. De lijst met leden is geraadpleegd op 2 oktober 2017. 
  51. Bij gemotiveerde verwerpingen bijvoorbeeld te herkennen aan: ‘Kennelijk heeft het Hof in zijn (…) overweging tot uitdrukking willen brengen…’, HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3485. Zie hierover Bleichrodt in zijn noot onder NJ 2013/245, die aangeeft dat die klachten, gegeven de alternatieve lezing van de Hoge Raad, weliswaar kansloos, maar niet onzinnig zijn.
  52. Verder bijv. HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:785; HR 31 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:792; HR 7 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:809.
  53. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3393. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk, maar vergelijk HR 11 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3153, NJ 2015/6, m.nt. Schalken. In die zaak schreef de Hoge Raad de verwerping nog uit, terwijl de klacht niet veel sterker was dan deze. 
  54. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3384.
  55. HR 13 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3312.
  56. HR 28 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:321. In HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2921 geeft de Hoge Raad overigens geen overweging mee, terwijl de conclusie strekt tot vernietiging en ambtshalve strafvermindering in verband met overschrijding van de redelijke termijn. In de zaken waarin de Hoge Raad in weerwil van de conclusie bij gebrek aan belang tot art. 80a RO besluit, legt uit hij uit waarom hij dat doet, zie bijv. HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1113; HR 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:516; HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:460.
  57. Ter relativering zij opgemerkt dat het (steeds vaker) voorkomt dat het Parket in zijn conclusie meegeeft dat zowel afdoening op grond van art. 80a RO als art. 81 RO volgens hem geschikt zijn. De zaken waarin de Hoge Raad naar aanleiding van een dergelijke conclusie besluit tot toepassing van art. 80a RO, komen in deze telling niet voor.
  58. Interne cijfers van de Hoge Raad. Het aantal is opgebouwd uit inhoudelijke conclusies (755), waarvan 216 conclusies strekten tot verwerping met een aan art. 81 RO ontleende motivering. De geheide vernietigingen liet ik buiten beschouwing.
  59. Zie over een dergelijke integratie Bleichrodt in zijn noot onder NJ 2013/245. Raadsheer Van Schendel zag in art. 81 RO mogelijkheden tot verruiming. Een tweede afdoeningsmodaliteit was volgens hem dan ook niet noodzakelijk, W.A.M. van Schendel, ‘Cassatie in strafzaken (Nederlands recht)’, in: De werkwijze van de hoogste rechtscolleges, Den Haag: Boom Juridische uitgevers 2007, p. 134-135.
  60. Wel is dit in mijn ogen het geval in HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3413 en HR 20 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:3405
  61. In het jaarverslag van de Hoge Raad 2016 (p. 22) worden andere percentages genoemd. Dat houdt ermee verband dat ik slechts keek naar vernietigingen en terug- of verwijzingen, terwijl in het jaarverslag alle vernietigingen werden meegenomen.
  62. 8,6% in 2003, 9,6% in 2004. Voor de tussentijdse schommelingen heb ik geen verklaring kunnen vinden.
  63. Het gegeven dat de Hoge Raad de motiveringseisen ten aanzien van leerstukken als de voorbedachte raad, het medeplegen en de roekeloosheid heeft aangescherpt, is hiervoor overigens contra-indicatief.
  64. Het publiceren van de processen-verbaal van de terechtzittingen in feitelijke aanleg en (de aanvullingen op) het arrest verdient eveneens aanbeveling. 
  65. Voor de beroepen waarin alle middelen worden verworpen met de motivering van art. 81 RO geldt uiteraard hetzelfde.
  66. Van Dorst 2015, p. 67.
  67. Zie daarover recent nog de president van de Hoge Raad M.W.C. Feteris, ‘Development of the Law by Supreme Courts in Europe’, Utrecht Law Review 2017, afl. 13/1, p. 167. De video waarin de rol van de Hoge Raad wordt uitgelegd, leert ons dat als er één ding is dat we moeten onthouden van het filmpje, het is dat de Hoge Raad heel belangrijk is voor de rechtsontwikkeling in Nederland, www.youtube.com/watch?v=gWCN6auO6Lg. Zie ook Jaarverslag Hoge Raad 2016, p. 3.
Over de auteur(s)