De Hoge Raad (zo wordt aangenomen) paste de Correctie-Langemeijer voor het eerst toe in het Tandartsen-arrest uit 1958.1 In casu oefende een onbevoegde tandarts zonder de vereiste opleiding het tandartsenberoep uit. Ondanks meerdere strafrechtelijke vervolgingen duurde de situatie voort en de bevoegde tandartsen die wél een kostbare en tijdrovende studie hadden doorlopen ondervonden daarvan concurrentie. De norm die de onbevoegde tandarts overtrad was echter gericht op bescherming van de volksgezondheid en niet (ook) op bescherming van (de vermogensbelangen van) concurrenten.
De HR kwam ondanks het ontbreken van relativiteit tot de conclusie dat de (vermogens-)belangen van de bevoegde tandartsen beschermd moesten worden, op grond van de volgende overweging (de Correctie-Langemeijer):
“dat het Hof aldus (...) miskent dat (…) bij niet nalaten der verboden handeling het feit der daarin gelegen wetsovertreding een factor kan zijn, die medeweegt om deze gedraging, waardoor anderen worden benadeeld, van uit het gezichtspunt ener betamelijke zorgvuldigheid in het verkeer ten opzichte van eens anders goed te veroordelen (…)” (onderstreping toev.).
Anders verwoord: de schending van een wettelijke norm is een mee te wegen factor bij de beoordeling van de vraag of de gedraging in strijd is met het ongeschreven recht dat wél de beoogde bescherming van het geschonden belang biedt.2
Langemeijer, die deze correctie ruim twee decennia eerder introduceerde in twee NJB-publicaties,3 had een iets andere formulering voor ogen: dat de wetsovertreding niet ‘slechts’ een factor is die bijdraagt aan het onrechtmatigheidsoordeel, maar dat de wetsovertreding doorslaggevend is. Dus dat uit de wetsovertreding zelf de schending volgt van de maatschappelijke zorgvuldigheid.4 (M.i. opvallend, gezien het ruim daarvoor in 1919 gewezen Lindebaum/Cohen-arrest. Anderzijds ook wel weer te volgen, nu je in een ‘zuivere’ Lindebaum/Cohen-situatie – d.w.z. alleen ongeschreven recht – immers niet toekomt aan corrigeren van relativiteit omdat die reeds ‘ingebakken’ is).
Langemeijer leek destijds met de Correctie een oplossing te willen vinden voor het gebrek aan rechtshandhaving in het kader van oneerlijke concurrentie. Breder dan dat wordt tegenwoordig het civiele recht ruim ingezet als middel voor de – steeds luidere, zo lijkt het – maatschappelijke wens tot rechtshandhaving, zowel ten aanzien van het bedrijfsleven als overheden. De Correctie kan wat dat betreft een interessante rol krijgen. Bijvoorbeeld, indien consumenten (of commerciële claimstichtingen die hun vorderingen overkopen) op grond van geschonden milieunormen pogen om bedrijven aan te spreken voor gestelde financiële schade (vgl. het ‘Sjoemeldiesel’-dossier).5
Ik sluit af met de stelling dat de Correctie-Langemeijer het relativiteitsvereiste niet opzijzet, maar eerder relativeert.6 Zo zie je maar: zelfs de relativiteitsleer is relatief.
Afbeelding: ©istock
Voetnoten
1 HR 17 januari 1958, ECLI:NL:HR:1958:AG2051 (Beukers/Dorenbos-, of Tandartsen-arrest), met conclusie van A-G Langemeijer: ECLI:NL:PHR:1958:AG2051, NJ 1961/568.
2 Asser/Sieburgh 6-IV 2019/138.
3 G.E. Langemeijer, 'Onrechtmatige daad en concurrentiestrijd', Nederlandsch Juristenblad, 20 oktober 1934, nr. 36 & G.E. Langemeijer, 'De practische beteekenis van de relativiteit der onrechtmatige daad', Nederlandsch Juristenblad, 27 april 1940, nr. 17.
4 Zie Verheij, 'Waarom de Hoge Raad in 1958 de correctie Langemeijer niet heeft erkend', NJB 2020/3049, para. 2.2.
5 Voor de transparantie: ik ben actief betrokken geweest bij dit dossier bij Freshfields zijdens gedaagde(n).
6 G.H. Lankhorst omschrijft het als een ‘relativering van de relativiteitsleer’.