De advocateneed

Degene die als advocaat ingeschreven wil worden moet de eed of belofte afleggen die in artikel 3 lid 2 van de Advocatenwet is weergegeven:

‘Ik zweer (beloof) 1) getrouwheid aan de Koning, 2) gehoorzaamheid aan de Grondwet, 3) eerbied voor de rechterlijke autoriteiten, en 4) dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik in gemoede niet gelove rechtvaardig te zijn.’

Bij deze eed zullen hierna enkele (kritische) opmerkingen worden geplaatst.

Tot slot wordt een herformulering van deze eed voorgesteld.

1. Trouw aan de koning

Onderdeel 1 van de advocateneed dateert uit de middeleeuwen. Toen was het opperste staatsgezag geconcentreerd en belichaamd in de koning. Hoge functionarissen, zoals leenmannen (graven, hertogen enz.), bevestigden en bekrachtigden met een eed van trouw aan de koning dat zij hun verplichtingen jegens hem zouden nakomen, bijvoorbeeld het leveren van krijgslieden ten tijde van oorlog.1

Deze tijd ligt ver achter ons. Nederland is sinds 1848 (de Grondwet van Thorbecke) een parlementaire democratie, en daarin berust – zoals het woord ‘democratie’ ook aanduidt – het opperste staatsgezag bij het volk. (Italiaanse rechters bijvoorbeeld spreken recht ‘in nome del popolo’ – in de naam van het volk.) De bevoegdheden van de Nederlandse koning zijn uiterst beperkt geworden. In de huidige omstandigheden kan het zweren (beloven) van trouw aan de koning alleen opgevat worden als een eed of belofte van trouw aan het koningschap. Een advocaat zou dus geen republikein mogen zijn, zou zich niet mogen inzetten voor een afschaffing van het koningschap.

Is dat een acceptabele eis? Die komt in ieder geval in strijd met onderdeel 2 van de advocateneed, gehoorzaamheid aan de Grondwet. Want of er al dan niet in Nederland een koning is en wat eventueel diens bevoegdheden zijn, wordt primair in de Grondwet geregeld, door de wetgever (de Staten-Generaal, vertegenwoordiger van het volk).

2. Gehoorzaamheid aan de Grondwet

In Nederland speelt de Grondwet een zeer beperkte rol. Dat komt vooral doordat het rechters – en a fortiori justitiabelen – niet is toegestaan om wetten en verdragen te (doen) toetsen aan de Grondwet (art. 120 Grondwet). ‘Gewone’ wetten zijn in de Nederlandse rechtspraktijk veel belangrijker dan de Grondwet (in bijvoorbeeld de VS ligt dit duidelijk anders). Zo is, volgens de jurisprudentie-database op www.rechtspraak.nl, het aantal rechtszaken waarbij de Grondwet een rol speelt slechts circa 3% van het aantal zaken waarbij de Algemene wet bestuursrecht aan de orde is.

Moet dit onderdeel 2 derhalve niet uitgebreid worden tot een eed (belofte) van gehoorzaamheid aan de wetten en het recht? Waarbij recht opgevat moet worden in de zin van artikel 79 lid 1 onder b van de Wet op de rechterlijke organisatie, waar een van de gronden is weergegeven waarop de Hoge Raad handelingen, arresten, vonnissen en beschikkingen kan vernietigen. Dit houdt, anders gezegd, een eed (belofte) van gehoorzaamheid aan de ‘rule of law’ in.

3. Eerbied voor de rechterlijke autoriteiten

Wat is met dit onderdeel 3 van de advocateneed bedoeld? Wordt hiermee soms slechts de vanzelfsprekende eis bedoeld dat advocaten zich jegens rechterlijke autoriteiten niet onbeschoft mogen gedragen?

Want het is algemeen bekend dat ook rechters inbreuk (kunnen) maken op het recht. Daarvoor zijn dan ook middelen ter beschikking gesteld, zoals wraking en hoger beroep. Het is juist bij uitstek een taak van advocaten om daarvan in voorkomende gevallen gebruik te maken, om aldus alle ‘eerbied jegens de rechter’ te laten varen.

4. Onrechtvaardige zaken

Bij onderdeel 4 van de advocateneed valt de subjectiviteit van de formulering op. Een advocaat hoeft slechts te zweren (beloven) dat hij geen zaken zal aanraden of verdedigen die hij in gemoede niet rechtvaardig acht. Een objectieve toets – ‘zaken die in gemoede niet rechtvaardig te achten zijn’ – ontbreekt. Mag een advocaat des temeer zijn gang gaan naarmate zijn rechtsbesef gebrekkiger is?

Stel dat in een strafzaak de verdachte ontkent en zich daarbij beroept op een alibi – waarvan zijn advocaat echter weet dat het vals is. Hoe moet de advocaat daar dan mee omgaan? Kan hij aanvoeren: ‘De verdachte is onschuldig, zoals ook blijkt uit zijn alibi’, waarmee hij zich achter de valse verklaring van zijn cliënt stelt? De advocaat spreekt dan in diens belang willens en wetens eveneens onwaarheid, en schendt de wetten en het recht. Of dient hij zich te bedienen van een formulering als: ‘De verdachte is onschuldig, zoals ook blijkt uit het alibi waarop hij zich beroept’? Met deze formulering houdt de advocaat de nodige distantie tot de verklaring van zijn cliënt in stand.
Ik ben van mening dat van een advocaat het tweede type formulering vereist moet worden. Bij de rechtszaken die ik heb gevoerd c.q. voer ben ik echter bij herhaling advocaten tegengekomen die zich van het eerste type formulering bedien(d)en. Getuige publicaties in de media (bijvoorbeeld over de zaak Michaël P.) worden deze mening en observatie door het Nederlandse publiek gedeeld.

5. Conclusie

De advocateneed zou dan ook naar mijn mening als volgt moeten gaan luiden:

‘Ik zweer (beloof) gehoorzaamheid aan de wetten en het recht, en dat ik geen zaak zal aanraden of verdedigen die in gemoede niet rechtvaardig te achten is.’


  1. Van de talrijke literatuur hierover noemt de auteur slechts: D. Abulafia, Federico II – un imperatore medievale, Einaudi, Torino, 1993.
Over de auteur(s)