Artikelen van Bernt Hugenholtz

Tijdschrift
NJB 12 (2026)
De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden
De Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden maakt duidelijk op wat voor manier, door wie en onder welke voorwaarden persoonsgegevens mogen worden gebruikt in publiek-publiek en publiek-private samenwerkingsverbanden ter bestrijding van criminaliteit en fraude. Het gaat bijvoorbeeld om gemeenten die informatie uitwisselen met de Belastingdienst, het OM, de IND en de Voedsel- en Warenautoriteit. Dergelijke samenwerkingsverbanden zijn niet nieuw maar voor de inwerkingtreding van de wet werkten zij zonder een duidelijke wettelijke basis. Er waren daardoor enerzijds vragen over de waarborging van rechten en vrijheden en anderzijds zorgen over de effectiviteit van de samenwerking. Zo was bijvoorbeeld de politie er niet mee bekend dat de Voedsel- en Warenautoriteit op een boerenerf een verdachte geur had opgemerkt, terwijl de desbetreffende agrariër over opvallend veel geld bleek te beschikken – wat zou kunnen duiden op een drugslab in de stal.
Commentaar op het voorstel tot wijziging van de strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot euthanasie en hulp bij zelfdoding
Het wetsvoorstel van de voormalige Tweede Kamerleden Jetten en Koekkoek tot wijziging van de strafrechtelijke bepalingen betreffende euthanasie en hulp bij zelfdoding beoogt de strafbaarstelling van door artsen uitgevoerde levensbeëindiging op verzoek en verleende hulp bij zelfdoding uit het Wetboek van Strafrecht te verwijderen. Het huidige systeem waarin euthanasie in beginsel strafbaar is, maar onder voorwaarden strafuitsluiting mogelijk is, schuurt inderdaad met het fundamentele uitgangspunt van de onschuldpresumptie in het strafrecht. Aanpassing is noodzakelijk, maar gaat volledige onttrekking aan het strafrecht niet te ver?
Europa moet uit het AI-slop
Terwijl de wereld in razend tempo de AI-revolutie omarmt, worstelt de Europese Unie met de vraag hoe zij haar plek moet opeisen tussen technologische grootmachten als de VS en China. De analyse van Draghi legt pijnlijk bloot hoe ver Europa achterop is geraakt — en hoe regelgeving, ooit een bron van trots, nu vooral als rem wordt gezien. De nieuwe Digitale Omnibusverordening moet daar verandering in brengen, maar laat vooral zien hoe moeilijk het voor Brussel is om een toekomstgerichte visie op AI en data te ontwikkelen.
Een naburig deepfake-recht. Slecht?
In NJB 2026/2992 bespreekt Bernt Hugenholtz een initiatiefwetsvoorstel ‘in verband met de invoering van een naburig recht met betrekking tot deepfakes van personen’ dat eind 2025 in internet-consultatie is gegeven. Hugenholtz heeft veel kritiek op het voorstel en dat is nuttig en de bedoeling van consultatie.
Naschrift
Dirk Visser gaat voorbij aan mijn voornaamste bezwaar tegen het wetsvoorstel, te weten dat het in het licht van het bestaande materiële recht op het terrein van de privacy, het portretrecht en het strafrecht grotendeels overbodig is.

Tijdschrift
NJB 6 (2026)
Botsende uitspraken van hoogste rechters in verschillende kolommen
In het zogeheten granulietdossier deden de bestuursrechter en de civiele rechter tegenstrijdige uitspraken. Waar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2021 oordeelde dat granuliet als ‘grond’ kan worden aangemerkt, kwam het Hof Den Haag tot een oordeel dat daar moeilijk mee te verenigen is. De daardoor ontstane spanning raakt aan fundamentele vragen over rechtseenheid, het gezag van uitspraken van hoogste rechters in verschillende rechtskolommen en de rol van de overheid bij de naleving van dwingend milieurecht.
De bewijsmaatstaf ten aanzien van onderwijsfraude: ‘aannemelijk maken’ of ‘buiten redelijke twijfel’?
De manier waarop examencommissies vermeende fraude moeten bewijzen, is de afgelopen jaren onderwerp van stevige juridische discussie geweest. Hoewel onderwijssancties inmiddels niet meer als bestraffend maar als bestuurlijke herstelsancties gelden, houdt de Afdeling bestuursrechtspraak vast aan een strafrechtelijk aandoende bewijsmaatstaf. In dit artikel wordt betoogd dat die benadering niet langer houdbaar is.
Een naburig deepfake-recht. Echt?
Deepfake porno, politieke manipulatie en misinformatie reclame hebben verstrekkende gevolgen voor privacy, democratie en vertrouwen in media en wetenschap. Najaar 2025 is een initiatiefwetsvoorstel gepresenteerd dat voorziet in de invoering van een naburig recht op deepfakes van personen. Het voorstel kent aan iedere natuurlijke persoon een exclusief en licentieerbaar recht toe op ‘zijn’ of ‘haar’ deepfakes. Daarmee wordt een in wezen privacyrechtelijke aanspraak gegoten in het jasje van het intellectuele eigendomsrecht. Deze benadering roept vragen op. Is aanvullende bescherming tegen deepfakes echt nodig, nu het bestaande recht reeds een uitgebreid arsenaal aan bescherming biedt? Past een dergelijk verhandelbaar recht binnen de systematiek van het Nederlandse en Europese recht? En draagt zo’n nieuw naburig recht bij aan de beteugeling van deepfakes of normaliseert en commercialiseert het juist het fenomeen dat het zegt te willen reguleren?
Van norm naar normatief
Prof. mr. d’Oliveira windt er in zijn bijdrage ‘Nederland wil het Vluchtelingenverdrag weer eens schenden’ (NJB 2026/4, afl. 1, p. 23) geen doekjes om en verdedigt op twee pagina’s de gelijknamige stelling. Door het beoogde plan van D66 en het CDA (om de naturalisatietermijn, ook voor vluchtelingen, voortaan te verlengen naar tien jaar) als niets meer dan haatdragende ‘ideologie’ aan te merken, wordt het toepasselijke recht miskend. D’Oliveira is strenger dan nodig voor de Nederlandse wetgever en ziet beren die er niet zijn.
Naschrift
De heer Van der Linden kapittelt mij om mijn interpretatie van artikel 34 van het Vluchtelingenverdrag en het Europees Nationaliteitsverdrag. Ik heb er de Travaux Préparatoires van het Vluchtelingenverdrag nog maar eens op nageslagen.