Wetsvoorstel (06-03-2020) tot wijziging van de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II (reparatie verhuurderheffing bij gedeeld genot huurwoningen)

—Dit wetsvoorstel voorziet in een aanpassing van de wettelijke regeling inzake mede-eigendom in de verhuurderheffing, zoals aangekondigd in het persbericht en in de brieven aan de voorzitters van de beide kamers der Staten-Generaal van 20 december 2019 (Kamerstukken II 2019/20, 27926, nr. 315). Aanleiding vormt een tweetal arresten dat de Hoge Raad heeft gewezen op 8 juni 2018 met betrekking tot de huidige wettelijke regeling dienaangaande (HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:846, en HR 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:847). Op basis van de huidige regeling wordt in situaties waarin het genot van huurwoningen krachtens eigendom, bezit of beperkt recht wordt gedeeld door twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of groepen (hierna: mede-eigendomssituaties, (mede-)eigenaren of (mede-)eigendom), de (gehele) huurwoning in aanmerking genomen bij de mede-eigenaar aan wie de WOZ-beschikking is bekendgemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de toerekeningssystematiek in deze regeling leidt tot een ongelijke behandeling van rechtens en feitelijk vergelijkbare gevallen, waar geen toereikende rechtvaardiging voor bestaat. Als gevolg van deze arresten kunnen huurwoningen met meerdere eigenaren niet in aanmerking worden genomen voor de verhuurderheffing en kan ten aanzien van die huurwoningen dus geen verhuurderheffing worden geheven van de mede-eigenaren. Dit wetsvoorstel beoogt het door de Hoge Raad geconstateerde gebrek in de betreffende regeling in de Wet maatregelen woningmarkt 2014 II te herstellen door te voorzien in een nieuwe regeling waarmee (mede-)eigenaren naar rato van de mate van hun eigendom worden betrokken in de verhuurderheffing.

De Afdeling advisering van de Raad van State was in haar advies over het wetsvoorstel kritisch over de terugwerkende kracht die aan het wetsvoorstel wordt toegekend. Zij meent dat daarvoor onvoldoende rechtvaardiging bestaat. De regering is echter van mening dat het gerechtvaardigd is om in dit specifieke geval terugwerkende kracht toe te kennen, teneinde het risico op een zeer grote budgettaire derving uit te sluiten.


Kamerstukken