Wetsvoorstel (11-05-2020) tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media

—Op 9 april 2019 is het wetsvoorstel tot wijziging van de Mediawet 2008 in verband met aanscherping van de nieuwedienstenprocedure, modernisering van procedures voor de benoeming van raden van toezicht en besturen, modernisering van het bestuur en verduidelijking van de positie van de Ster, alsmede technische verbeteringen onder meer in verband met taken van het Commissariaat voor de Media (Kamerstukken 35 042), met algemene stemmen aangenomen door de Tweede Kamer. Daarbij zijn twee amendementen aangenomen die de Eerste Kamer ertoe leidden om een voorlichting aan te vragen bij de Afdeling advisering van de Raad van State. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 18 oktober 2019 haar voorlichting uitgebracht. Het gewijzigde amendement-Aartsen en Van der Molen (Kamerstukken II 2018/19, 35 042, nr. 18) gaf de Afdeling advisering aanleiding voor kritische opmerkingen. Dit amendement regelt dat:

  1. het lidmaatschap van de raad van toezicht of het bestuur van een omroepvereniging of samenwerkingsomroep onverenigbaar is met het lidmaatschap van een van beide Kamers der Staten-Generaal; en
  2. het lidmaatschap van de raad van toezicht of het bestuur van een omroepvereniging of samenwerkingsomroep, de NPO, de RPO, de NOS, de NTR of de Ster onverenigbaar is met een bestuursfunctie of dienstbetrekking bij een politieke partij voor zover de bestuursfunctie of dienstbetrekking op landelijk niveau wordt uitgeoefend.

De Afdeling advisering van de Raad van State kwam tot het oordeel dat de effectiviteit van het amendement uiterst beperkt is. Daarnaast concludeerde zij dat dit amendement op onderdelen in strijd is met artikel 57 Grondwet en met artikel 8 Grondwet en artikel 11 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Gelet op de door de Afdeling advisering uitgebrachte voorlichting acht de regering het wenselijk de toevoegingen aan het wetsvoorstel door het gewijzigde amendement-Aartsen en Van der Molen ongedaan te maken. Deze novelle strekt daartoe.

Kamerstukken