Wetsvoorstel (14-09-2022) tot wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van een epidemie van infectieziekten behorend tot groep A1, of een directe dreiging daarvan

—Het wetsvoorstel is de eerste tranche in de aanpassing van de Wet publieke gezondheid (Wpg) en biedt een wettelijk kader dat kan worden ‘geactiveerd’ op het moment dat er sprake is van een infectieziekte met pandemisch potentieel én indien het belang van de volksgezondheid dit vordert. Dit betekent dat het voorgestelde wettelijke kader slapend recht is dat in de normale situatie niet in werking is. Voorgesteld wordt:

  • De huidige groep A-infectieziekten op te splitsen in de groepen A1 en A2. Een infectieziekte wordt als behorend tot de groep A1 aangewezen indien de ziekte een pandemisch potentieel heeft en het belang van de volksgezondheid dit vordert. Voor A1-infectieziekten geldt dat er maatregelen noodzakelijk kunnen zijn voor de bestrijding ervan, die niet gericht zijn op een individu, maar op een (grotere) groep. De groep A2 is gelijk aan de huidige groep A.
  • Als een groep A1 infectieziekte wordt aangewezen, kunnen de bevoegdheidsgrondslagen in dit wetsvoorstel worden aangezet. Vervolgens kunnen op basis van die bevoegdheidsgrondslagen collectieve maatregelen worden genomen om de A1-infectieziekte te bestrijden.
  • Op het moment dat een infectieziekte bij ministeriële regeling wordt aangewezen als A1-infectieziekte, volgt een incorporatiewetsvoorstel om dit ook als zodanig in de Wpg te regelen. Beide Kamers kunnen zich in het wetgevingsproces uitspreken over dit wetsvoorstel en hebben daarmee zeggenschap. Aan de Tweede Kamer komt een blokkeringsrecht toe, waarmee zij zeggenschap heeft over de collectieve maatregelen.
  • Bij de bestrijding van A1-infectieziekten zijn in de praktijk twee fases te onderscheiden: een acute fase en een beheerfase. In de acute fase hebben de voorzitters van de veiligheidsregio diverse bevoegdheden bij de bestrijding. In de beheerfase liggen deze taken en bevoegdheden bij de burgemeester.

De Afdeling advisering van de Raad van State acht de wijze waarop de betrokkenheid van het parlement vorm krijgt, voor dit moment toereikend. Wel moet de rol van het parlement met het oog op een definitievere regeling, ook in relatie tot de voorgenomen herziening van het staatsnood- en crisisrecht, verder worden doordacht. Gelet op de bijzondere aard van de noodwetgeving is de vraag hoe een balans kan worden gevonden tussen democratische legitimatie en de in noodsituaties noodzakelijke slagkracht. Hiervoor heeft de Afdeling enkele denkrichtingen geformuleerd. De Afdeling heeft ook een opmerking gemaakt over het feit dat de Minister van JenV in het voorstel geen formele rol heeft; het voorstel is alleen medeondertekend door de Ministers van VWS en BZK. Eenzelfde lijn wordt doorgetrokken naar de ministeriële regelingen op grond van het wetsvoorstel. Dit strookt niet met verantwoordelijkheid van de Minister van JenV voor het reguliere staatsnood- en crisisrecht. De Afdeling adviseert het voorstel daarop aan te passen. De regering heeft hieraan geen gehoor gegeven. Volgens de regering betekent de verantwoordelijkheid van de Minister van JenV voor het algehele (stelsel van het) staatsnood- en crisisrecht daarom niet dat die minister ook elke sectorale regeling die raakt aan het staatsnood- en crisisrecht medeondertekent.

Aan de opmerkingen van de Afdeling over het bevoegdhedeninstrumentarium, het activeren van bevoegdheden voor collectieve maatregelen, de bestuurlijke verhoudingen tussen de voorzitter van de veiligheidsregio’s en de burgemeesters, de handhaving van de inachtneming van de hygiëne- en afstandsregels en de differentiatie tussen personen is gehoor gegeven door middel van een nadere toelichting of aanpassing van het oorspronkelijke voorstel. Wat betreft de ­handhaving van inachtneming hygiëne- en afstandsregels is in het wetsvoorstel een uitzondering opgenomen voor religieuze en eventuele andere bij ministeriële regeling aangewezen gebouwen. De Afdeling ziet geen reden om religieuze en eventuele andere gebouwen in de hier bedoelde situaties uit te zonderen van de handhaving. De regering heeft de uitzonderingsgrond echter gehandhaafd. Met het oog op de scheiding van kerk en staat en terughoudendheid van de staat is deze uitzondering opgenomen en wordt het in beginsel aan de religieuze (koepel)organisaties zelf overgelaten te bepalen hoe hieraan wordt voldaan. Op grond van het wetsvoorstel kunnen hier wel voorwaarden aan worden gesteld.

Kamerstukken