TK 2015/16, 34 537 Bewaarplicht telecommunicatiegegevens t.b.v. opsporing

Wetsvoorstel (12-09-2016) tot wijziging van de Telecommunicatiewet en het Wetboek van Strafvordering in verband met de bewaring van gegevens die zijn verwerkt in verband met het aanbieden van openbare telecommunicatiediensten en openbare telecommunicatienetwerken (aanpassing bewaarplicht telecommunicatiegegevens)

—Dit wetsvoorstel voorziet in aanpassing van het Wetboek van Strafvordering en de Telecommunicatiewet vanwege het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken Digital Rights Ireland en Seitlinger (C-293/12 en 294/12). In dit arrest heeft het Hof van Justitie de Richtlijn 2006/24/EG (richtlijn dataretentie) ongeldig verklaard. De richtlijn dataretentie voorzag in een verplichting voor aanbieders van openbare elektronische communicatienetwerken en openbare elektronische communicatiediensten tot het bewaren van een bepaalde lijst van telecommunicatiegegevens ten behoeve van de opsporing en vervolging van ernstige strafbare feiten. De richtlijn dataretentie was geïmplementeerd met de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens die op 1 september 2009 in werking is getreden. In maart 2015 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag in kort geding de Wet bewaarplicht telecommunicatiegegevens buiten werking gesteld.

Dit wetsvoorstel voorziet in een herziene wettelijke regeling rond de bewaarplicht voor telecommunicatiegegevens ten behoeve van de opsporing van ernstige misdrijven.

De regering houdt in het wetsvoorstel vast aan een algemene bewaarplicht van bepaalde telecommunicatiegegevens van alle burgers, ongeacht de mate van hun betrokkenheid bij ernstige misdrijven en niet gekoppeld aan enige specifieke bedreiging van de openbare veiligheid. In haar Voorlichting van 17 juli 2014 over een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, (W03.14.0161/II/Vo), Kamerstukken II 2014/15, 33 542, bijlage bij nr. 16) gaf de Afdeling advisering aan het bovengenoemde arrest van het Hof van Justitie zo te begrijpen dat een algemene bewaarplicht van bepaalde telecommunicatiegegevens van alle burgers, ongeacht de mate van hun betrokkenheid bij ernstige misdrijven en niet gekoppeld aan enige specifieke bedreiging van de openbare veiligheid, als zodanig onevenredig is. Thans ligt daarover een prejudiciële vraag voor bij het Hof (ingediend door Kammarrätten i Stockholm (Zweden) op 4 mei 2015, C-203/15, Sverige Tele 2).)

Het wetsvoorstel voorziet in de eerste plaats in de heroverweging van de termijnen voor het bewaren van telecommunicatiegegevens ten behoeve van het algemene belang van de opsporing en vervolging van ernstige misdrijven, zodat deze worden vastgesteld op hetgeen strikt noodzakelijk is voor dat doel. Tevens worden de verschillende categorieën van te bewaren gegevens beperkt tot de gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de opsporing en vervolging van ernstige misdrijven. Ten slotte wordt voorgeschreven dat de telecommunicatiegegevens op het grondgebied van de Unie worden opgeslagen en verwerkt.

Dit wetsvoorstel voorziet voorts in aanpassing van het Wetboek van Strafvordering. Dit betreft de beperking van de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeersgegevens. Voorgesteld wordt dat een vordering van de officier van justitie tot verstrekking van historische verkeersgegevens, die door de aanbieders op grond van de verplichting van artikel 13.2a van de Telecommunicatiewet worden bewaard ten behoeve van de opsporing en vervolging van ernstige misdrijven, slechts kan worden gedaan na voorafgaande rechterlijke toetsing. Daarbij geldt dat de vordering een misdrijf moet betreffen dat van een zodanige ernst is dat dit in het concrete geval het vorderen van de bewaarde verkeersgegevens door de officier van justitie rechtvaardigt. Dit betreft een extra waarborg om de toegang tot de bewaarde gegevens daadwerkelijk te beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor de bestrijding van (enkel) ernstige criminaliteit. Bij dringende noodzaak kan een vordering van de officier van justitie mondeling worden gedaan, ook de machtiging van de rechter-commissaris kan dan mondeling worden gegeven. In dat geval worden vordering en machtiging binnen drie dagen op schrift gesteld.


Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.