TK 2019/20, 35 381 Aanvullend Protocol anti-terrorismeverdrag

Voorstel van rijkswet (29-01-2020) houdende goedkeuring van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180)

—Op 16 mei 2005 is te Warschau het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme tot stand gekomen (Trb. 2006, 34, hierna: ‘het Verdrag’). Het Verdrag is tot stand gekomen in reactie op de terroristische aanslagen in de Verenigde Staten van Amerika van 11 september 2001 en beoogt de inspanningen van de lidstaten van de Raad van Europa met betrekking tot het voorkomen van terrorisme te bevorderen. Het Verdrag tracht dit doel op twee manieren te bereiken. Ten eerste verplicht het Verdrag de verdragspartijen in hun nationale recht een aantal gedragingen strafbaar te stellen die kunnen leiden tot terroristische misdrijven, zoals het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf en het werven of trainen voor terrorisme. Ten tweede beoogt het Verdrag de internationale (strafrechtelijke) samenwerking op het gebied van terrorismepreventie te versterken.

Op 24 september 2014 heeft de VN-Veiligheidsraad een bindende resolutie aangenomen waarin hij de toegenomen terroristische dreiging adresseert die uitgaat van individuen die naar het buitenland afreizen om aldaar terroristische misdrijven te plegen (foreign terrorist fighters). De resolutie verplicht de VN-lidstaten om in hun nationale recht een aantal gedragingen strafbaar te stellen die verband houden met foreign terrorist fighters en roept hen daarnaast op om op het gebied van terrorismebestrijding intensiever samen te werken.

Naar aanleiding van de resolutie is het onderhavige Aanvullend Protocol opgesteld. Het doel van het Aanvullend Protocol is om de inspanningen van de verdragspartijen bij het voorkomen van terrorisme te ondersteunen door de bepalingen van het Verdrag aan te vullen. In het Aanvullend Protocol wordt dezelfde benadering gevolgd als in het Verdrag: de verplichting tot strafbaarstelling van bepaalde gedragingen in het nationale recht van de verdragspartijen wordt gecombineerd met bepalingen gericht op het faciliteren van de internationale samenwerking. De kern van het Aanvullend Protocol wordt gevormd door de artikelen 2 tot en met 6, waarin de verdragspartijen de verplichting op zich nemen om een aantal gedragingen die verband houden met foreign terrorist fighters strafbaar te stellen. Voor wat betreft het Europese en het Caribische deel van Nederland, nopen deze artikelen niet tot het aannemen van uitvoeringswetgeving. De gedragingen die krachtens deze artikelen strafbaar moeten worden gesteld, zijn op dit moment al strafbaar gesteld in respectievelijk het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES.

Er is wel enige uitvoeringswetgeving nodig en daartoe strekt het wetsvoorstel tot wijziging van de Uitleveringswet, het Wetboek van Strafrecht BES en het Wetboek van Strafvordering ter uitvoering van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (zie NJB 2020/397).


Kamerstukken

R2143

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.