Stb. 2014, 10 Wijziging Paspoortwet

Rijkswet van 18-12-2013, Stb. 2014, 10

Rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet in verband met een andere status van de Nederlandse identiteitskaart, het verlengen van de geldigheidsduur van reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaarten, een andere grondslag voor de heffing van rechten door burgemeesters en gezaghebbers en het niet langer opslaan van vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie (Wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart)

—Deze rijkswet tot wijziging van de Paspoortwet strekt ertoe een aantal onderwerpen te regelen op het terrein van de verstrekking van het paspoort en de Nederlandse identiteitskaart. De wijzigingen hebben betrekking op het verlengen van de geldigheidsduur van reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaarten van vijf naar tien jaar, het in wettelijke zin niet langer aanmerken van de Nederlandse identiteitskaart als reisdocument, het in de wet opnemen van een grondslag voor het heffen van rechten wegens handelingen ten behoeve van de aanvraag van reisdocumenten en Nederlandse identiteitskaarten door de burgemeester van een gemeente of de gezaghebber van een openbaar lichaam en het niet langer bewaren van de vingerafdrukken van aanvragers van reisdocumenten nadat de uitreiking dan wel de reden van niet-uitreiking van het reisdocument in de administratie is geregistreerd.

Bij het besluit om de geldigheidsduur van het paspoort te verlengen van vijf naar tien jaar is een afweging gemaakt tussen de wens om de administratieve lasten voor burgers in verband met het aanvragen van een paspoort te verminderen enerzijds en anderzijds de risico’s die door het verlengen van de geldigheidsduur kunnen ontstaan als gevolg van de afnemende gelijkenis van de houder met diens gezichtsopname en op het terrein van de fysieke duurzaamheid en de fysieke en elektronische beveiliging van het document.
De wet geeft jeugdigen tot de leeftijd van achttien jaar recht op een nationaal paspoort met een geldigheidsduur van vijf jaar. Daarnaast houden ook de reisdocumenten voor vluchtelingen en de reisdocumenten voor vreemdelingen hun bestaande geldigheidsduur van maximaal vijf jaar. Dit houdt verband met het feit dat het verblijfsrecht van de houder van een dergelijk reisdocument, zelfs al is dit van onbepaalde duur, in beginsel altijd kan worden ingetrokken. Evenals voor nationale paspoorten wordt ook voor de Nederlandse identiteitskaarten de geldigheidsduur verlengd van vijf naar tien jaar.

De Nederlandse identiteitskaart wordt met deze wet niet langer de formele status van reisdocument toegekend. De Europese verordening waarin onder andere is voorgeschreven dat paspoorten en andere reisdocumenten twee vingerafdrukken van de houder moeten bevatten, is dan niet meer op de Nederlandse identiteitskaart van toepassing. De enige verandering in het aanvraagproces is dat er geen vingerafdrukken meer zullen worden opgenomen van de aanvrager.
De Nederlandse identiteitskaart blijft een document voor grensoverschrijding, ook indien deze niet langer in de Paspoortwet de status heeft van reisdocument. De Nederlandse identiteitskaart is thans geldig voor de landen die behoren tot de Europese Unie, alsmede voor Andorra, Liechtenstein, Monaco, Noorwegen, San Marino, Turkije, IJsland en Zwitserland. De acceptatie van de Nederlandse identiteitskaart door de genoemde landen als document voor grensoverschrijding volgt niet uit het feit dat de Nederlandse identiteitskaart in de Paspoortwet is aangemerkt als ‘reisdocument’, maar uit internationale regels.

Als gevolg van het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011 is heffing van rechten voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een Nederlandse identiteitskaart op basis van artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet niet meer toegestaan. De regering is van mening dat de Grondwet ten aanzien van belastingen (en de in dit arrest bedoelde rechten zijn belastingen) uitsluitend bepaalt dat de grondslag daarvan gevonden moet worden in de wet. De Hoge Raad heeft vastgesteld dat artikel 229, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet daarvoor geen bruikbare grondslag is. Deze grondslag zou derhalve moeten worden aangevuld met een specifieke grondslag. De wijze waarop in deze wet een grondslag is opgenomen voor het kunnen heffen van rechten is in beginsel identiek aan de manier waarop dit in de Wet van 13 oktober 2011, houdende Regeling van een grondslag voor de heffing van rechten voor de Nederlandse identiteitskaart is vormgegeven. De in artikel 7 van de Paspoortwet opgenomen regeling kent echter wel een grotere reikwijdte dan alleen de Nederlandse identiteitskaart. De regering heeft, mede uit een oogpunt van overzichtelijkheid van regelgeving, gemeend om de in de Paspoortwet opgenomen grondslag voor de heffing van leges niet alleen te laten gelden voor de Nederlandse identiteitskaart, maar ook voor paspoorten en de andere reisdocumenten die door een burgemeester kunnen worden uitgegeven.
Het nieuwe artikel 7, tweede lid, wijkt wel af van het oude artikel doordat de rechten die gemeenten mogen heffen voor handelingen in verband met een aanvraag van een reisdocument in de nieuwe redactie van het tweede lid uitsluitend nog mogen worden geheven op basis van dat lid. Gemeenten mogen daardoor voor die handelingen geen extra rechten in rekening brengen op basis van de Gemeentewet. Dat betekent onder meer dat de zogenaamde ‘vermissingsleges’, die veel gemeenten in rekening brengen voor het opmaken van een verklaring van vermissing indien het oude, in te leveren reisdocument, wordt vermist, niet langer mogen worden geheven bij de aanvraag van een nieuw reisdocument.

Een wijziging van de Paspoortwet is verder noodzakelijk in verband met het besluit van het kabinet om met de opslag van de vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie een pas op de plaats te maken. Volstaan wordt met het opnemen van de twee vingerafdrukken die op grond van Europese regelgeving verplicht zijn voor de opslag in de chip van het reisdocument.
Voor het niet langer bewaren van de thans reeds opgenomen vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie is onder de werking van de huidige Paspoortwet al een voorlopige regeling getroffen. Door wijziging van de Paspoortuitvoeringsregelingen is de daarin opgenomen bewaartermijn van de vingerafdrukken in de reisdocumentenadministratie van de verstrekkende autoriteiten verkort tot het moment dat de uitreiking van het aangevraagde document dan wel de reden voor het niet uitreiken daarvan, in het reisdocumentenstation is geregistreerd. Voor die datum was de bewaartermijn elf jaar. Onder de werking van dze wet zullen de vingerafdrukken worden bewaard totdat de uitreiking van het paspoort of ander reisdocument in de reisdocumentenadministratie is geregistreerd. Als het aangevraagde document niet wordt uitgereikt, bijvoorbeeld omdat het niet wordt afgehaald, worden de vingerafdrukken bewaard totdat de reden voor het niet uitreiken is geregistreerd. De in de administratie opgenomen vingerafdrukken worden gedurende die periode slechts verwerkt ten behoeve van de verstrekking en de uitreiking van het aangevraagde reisdocument. Bij nota van wijziging is de zogenoemde strafrechtelijke grond tot weigering of vervallenverklaring van een reisdocument uitgebreid. In artikel 18, onderdeel b, van de Paspoortwet is de grond voor het weigeren of laten vervallen van een paspoort opgenomen voor bepaalde categorieen onherroepelijk strafrechtelijk veroordeelden. Met deze maatregel wordt beoogd te voorkomen dat deze personen zich door een verblijf in het buitenland aan de tenuitvoerlegging van hun straf (kunnen) onttrekken. Het toepassingsbereik van deze bepaling wordt uitgebreid door de signaleringsgrond uit te breiden van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel van zes maanden of meer naar vier maanden of meer en de ontnemingsmaatregel en schadevergoedingsmaatregel (vanaf € 3.900) naast de geldboete ook als sanctie op te nemen in de voorwaarden voor signalering.
 

Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit van 09-01-2014, Stb. 2014, 11

Artikel I, onderdelen C, onder 4, K, O en P, artikel II en de artikelen X tot en met XII treden in werking met ingang van 18 januari 2014 en artikel I, onderdelen A, B, C, onder 1, Ga en I en de artikelen III tot en met VII treden in werking met ingang van 20 januari 2014.

 

Inwerkingtredingsbesluit van 01-03-2014, Stb. 2014, 97

Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart (Stb. 2014, 10)

—Artikel I, onderdelen C, onder 2 en 3, D tot en met G, H, J, L tot en met N, en artikel VIII en IX van de wijziging van de Paspoortwet in verband met onder meer de status van de Nederlandse identiteitskaart treden in werking met ingang van 9 maart 2014. Met de inwerkingtreding van de in dit besluit genoemde bepalingen van de voornoemde wijziging van de Paspoortwet per 9 maart 2014, zullen vanaf die datum aangevraagde paspoorten en de Nederlandse identiteitskaarten door personen van 18 jaar en ouder worden uitgegeven met een geldigheidsduur van 10 jaar. Ook zullen vanaf dat moment niet langer de hoofden van de buitenlandse posten worden aangemerkt als bevoegde autoriteit voor het in ontvangst nemen van aanvragen en voor verstrekking van reisdocumenten, maar in plaats daarvan de minister van Buitenlandse Zaken.
Tevens wordt de mogelijkheid tot het in het paspoort en identiteitskaart vermelden van het burgerservicenummer verruimd tot, in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen, houders van documenten die niet als ingezetene in de basisadministratie persoonsgegevens van een gemeente zijn ingeschreven. Ook wordt de grondslag voor het heffen van leges door de gemeenten en openbare lichamen opgenomen in de Paspoortwet. Daarmee zullen dan alle onderdelen van deze wijziging van de Paspoortwet in werking getreden zijn.

De hele wet is beschreven bij verschijning daarvan in het Staatsblad: NJB 2014/229, afl. 4.
 

Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.