Stb. 2017, 317 Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

Wet van 26-07-2017, Stb. 2017, 317

Wet houdende regels met betrekking tot de inlichtingen- en veiligheids­diensten alsmede wijziging van enkele wetten (Wet op de inlichtingen- en veiligheids­diensten 2017)

—Deze wet vervangt de Wet op de inlichtingen- en veiligheids­diensten 2002 (Wiv 2002). Die wet was toe aan een grondige herziening. Een belangrijke wijziging is dat de bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheids­diensten worden gemoderniseerd en dat er wettelijke waarborgen voor inzet van die bevoegdheden nauwgezet worden vastgelegd.


Wat verandert er?

Bijzondere bevoegdheden worden gemoderniseerd door het onderscheid tussen kabelgebonden en niet-kabelgebonden tele­communicatie te vervangen door de zogenoemde onderzoeks­opdracht­gerichte interceptie. Op grond van de Wiv 2002 dient ‘ongerichte’ interceptie van tele­communicatie zich te beperken tot ‘niet-kabelgebonden tele­communicatie­’. Dit betekent dat het merendeel van alle tele­communicatie zich op dit ogenblik per definitie aan het zicht van de diensten onttrekt. Deze wet maakt het mogelijk datastromen ook op de kabel te onderscheppen. Dit is nodig omdat een merendeel van de tele­communicatie zich sinds de invoering van de Wiv 2002 heeft verplaatst van de lucht naar kabelnetwerken, die de ruggengraat zijn gaan vormen van het digitale domein. Deze wijziging betekent dat de AIVD en de MIVD tele­communicatie kunnen verwerven, verwerken en analyseren als zij op zoek zijn naar personen, organisaties en dreigingen maar door onvoldoende kennis (nog) niet gericht te werk kunnen gaan. Dat kan alleen met vooraf geaccordeerde onderzoeks­opdrachten. Het technologie-onafhankelijke stelsel voor de interceptie van tele­communicatie zal op hoofdlijnen uit een drietal fasen bestaan:

  1. doelgerichte verwerving van tele­communicatie;
  2. voorbewerking van de geïntercepteerde tele­communicatie;
  3. (verdere) verwerking van de tele­communicatie.

In de wet zijn de desbetreffende bevoegdheden voorzien van de volgende waarborgen, die zowel het gebruik van de interceptie­bevoegdheid (verwerving) als de verdere verwerking van de geïntercepteerde gegevens voor daarbij te onderscheiden doeleinden afhankelijk maken van:

  • a. een voorafgaande en in tijd begrensde ministeriële toestemming;
  • b. doelgerichte inzet;
  • c. bewaar- en vernietigings­termijnen met betrekking tot de desbetreffende gegevens;
  • d. een (gecombineerd) stelsel van functie- en taak­scheiding c.q. compartimentering waar het gaat om de toegang tot de gegevens in de verschillende fasen en buiten het interceptie­proces.

Voorts is nog een extra waarborg toegevoegd, namelijk dat de ministeriële toestemming die in dit stelsel bij de uitoefening van de verschillende bevoegdheden is vereist, is onderworpen aan de rechtmatigheidstoets van de Toetsings­commissie Inzet Bevoegdheden (TIB).

Als data rechtmatig zijn vergaard, is het eventuele verdere gebruik van data aan strikte wettelijke regels gebonden. De diensten moeten via bijzondere bevoegdheden verkregen data zo spoedig mogelijk op relevantie onderzoeken. Voor onderzoeks­opdracht­gerichte interceptie is de maximale bewaartermijn op drie jaar gesteld. Gegevens waarvan is vastgesteld dat deze niet relevant zijn voor het onderzoek dan wel enig ander lopend onderzoek van de desbetreffende dienst worden vernietigd. Gegevens die, tenzij bij de wet anders is bepaald, na een periode van een jaar niet op hun relevantie voor het onderzoek dan wel enig ander lopend onderzoek zijn onderzocht, worden vernietigd.

Een ander belangrijk aspect van de nieuwe wet is dat de controle op de diensten wordt versterkt. In de eerste plaats door instelling van de TIB; een onafhankelijke commissie die bestaat uit drie leden, waarvan ten minste twee leden dienen te beschikken over een ruime rechterlijke ervaring. Het derde lid kan, indien daar behoefte aan is, worden aangezocht vanwege andersoortige expertise, bijvoorbeeld op technisch vlak, die voor een goede taakvervulling van de TIB van belang kan zijn. De TIB zal voortaan de door de minister verleende toestemming voor de uitoefening van bepaalde bijzondere bevoegdheden op rechtmatigheid toetsen (toets aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit) voorafgaand aan de daadwerkelijke uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid; indien de TIB tot het oordeel komt dat de toestemming onrechtmatig is verleend, vervalt de toestemming van rechtswege. Daarnaast hebben burgers de mogelijkheid een klacht in te dienen over het handelen van de AIVD en/of de MIVD. Burgers die dat doen krijgen voortaan een bindende uitspraak van de CTIVD. De minister is dus verplicht het oordeel van de CTIVD op te volgen.

Bestaande, noodzakelijke praktijken van de diensten die nu impliciet onder de wet vallen worden expliciet gemaakt in de wet (dus nadrukkelijk geen nieuwe bevoegdheden). Zo wordt duidelijk vastgelegd dat binnentreden in een geautomatiseerd werk (hacken) van een persoon of organisatie die in onderzoek is, ook plaats kan vinden via een geautomatiseerd werk van een derde. Verder gebeurt het opvragen van gegevens tegenwoordig in veel gevallen geautomatiseerd, en de diensten passen data-analyse toe op de datasets die zij op legitieme wijze hebben vergaard. Tevens wordt, naar aanleiding van rapporten van de CTIVD, de praktijk van DNA-onderzoek wettelijk geregeld en wordt voorzien in een grondslag voor het doen van naslag op verzoek van anderen. Tot slot wordt in de wet vastgelegd dat de verstrekking van ongeëvalueerde gegevens met buitenlandse collegadiensten enkel na toestemming van de betrokken minister kan plaatsvinden.

Naast bovenstaande veranderingen zijn er nog enkele wijzigingen aangebracht ten opzichte van de Wiv 2002. De systematiek voor het aanwijzen van de onderwerpen waarover de regering inlichtingen nodig heeft is gewijzigd, alsook de samenwerking tussen de beide diensten. De criteria die worden gebruikt voor het aangaan van een samenwerkingsrelatie met een buitenlandse dienst worden geëxpliciteerd. Verder wordt een grondslag gemaakt voor het kunnen vernietigen van gegevens die de identiteit van agenten en informanten zouden kunnen blootgeven. Ook wordt geregeld dat de diensten bijzondere bevoegdheden mogen inzetten om de veiligheid van eigen medewerkers te garanderen of om de betrouwbaarheid van een menselijke bron te kunnen testen.

De bevoegdheden van de inlichtingen- en veiligheids­diensten die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer worden expliciet in de wet beschreven. Teneinde de transparantie over Big data-verwerkingen te vergroten zijn bovendien de jaarplannen van de AIVD en de MIVD ‘robuuster’ gemaakt en is het onafhankelijke toezicht verder capacitair verstevigd. De jaarplannen van de diensten zullen met het oog op transparantie met betrekking tot Big data-verwerkingen worden aangevuld met een paragraaf over het gebruik van Big data, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de doelen en frequentie van het gebruik van Big data en de mate waarin deze verwerkingen hebben bijgedragen aan het boeken van resultaten en het ontdekken van trends. Daarnaast zal worden beschreven of mitigerende maatregelen getroffen moesten worden om afwijkingen in de gegevensbronnen en analyses te corrigeren, teneinde een zinvolle analyse en daaruit voortvloeiende besluitvorming tot stand te kunnen brengen. De jaarplannen zijn vanwege hun inhoud staatsgeheim en worden integraal gedeeld met de Commissie voor de Inlichtingen- en veiligheids­diensten. De hoofdlijnen van de jaarplannen zullen onder de aandacht van burgers worden gebracht op de websites van de diensten.


Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit van 19-08-2017, Stb. 2017, 318

Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van enkele onderdelen van de Wet op de inlichtingen- en veiligheids­diensten 2017 (Stb. 2017, 317)

De artikelen 1, 32, eerste lid, 33, 34, 35, 97, eerste en tweede lid, 98, 99, 100, 101, 103, 104, 105, 106 en 170 treden in werking met ingang van 01-09-2017. De wet zal in twee fasen in werking treden. Dit besluit ziet op de eerste fase. Dit laat de mogelijkheid om een raadgevend referendum over de wet te houden overigens onverlet.


Inwerkingtredingsbesluit van 18-04-2018, Stb. 2018, 119

Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de overige onderdelen van de Wet op de inlichtingen- en veiligheids­diensten 2017 en van enkele algemene maatregelen van bestuur

De artikelen 2 tot en met 31, 32, tweede lid, 36 tot en met 96, 97, derde en vierde lid, 102, 107 tot en met 169 van de wet treden in werking met ingang van 01-05-2018. Het Besluit maatregelen rechtstreeks geautomatiseerde toegang inlichtingen- en veiligheids­diensten en het Besluit gegevensverstrekking onderzoek van communicatie Wiv 2017 treden eveneens in werking met ingang van 01-05-2018.


Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.