Stb 2018, 107 Studie- en onderzoeks­mobiliteit

Besluit van 29-04-2018, Stb. 2018, 107

Besluit tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 en enige andere besluiten in verband met de implementatie van richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten (herschikking) (PbEU2016, L 132)
— Voor diverse onderwerpen zijn de wijzigingen van dit implementatiebesluit ten opzichte van de huidige wetgeving van geringe betekenis. Van betekenis zijn met name de twee nieuwe vormen van mobiliteit. Om het voor onderzoekers, hun familie-leden en studenten gemakkelijker te maken van de ene naar de andere lidstaat te gaan om een deel van hun onderzoek- of studie te verrichten, introduceert de richtlijn twee nieuwe vormen van mobiliteit waarbij in de tweede lidstaat géén tweede verblijfsvergunning mag worden vereist. Het gaat om de volgende twee soorten mobiliteit:
– ‘Kortetermijnmobiliteit van onderzoekers’ (artikel 28 van de richtlijn):
Dit houdt in dat een derdelander op basis van zijn door de eerste lidstaat afgegeven verblijfsvergunning voor onderzoek, recht heeft op een verblijf van hoogstens 180 dagen in elke periode van 360 dagen in een of meerdere andere lidstaten, om daar een deel van zijn onderzoek te verrichten. Gezinsleden van onderzoekers hebben het recht de onderzoeker tijdens zijn mobiliteit te vergezellen.
– Mobiliteit van studenten (artikel 31 van de richtlijn): Een derdelander met een verblijfsvergunning die door de eerste lidstaat is afgegeven voor een studie die onder EU- of multilaterale programma’s of een overeenkomst tussen twee of meer hoger onderwijsinstellingen valt, mag op basis van die vergunning in een of meerdere andere lidstaten verblijven voor ten hoogste 360 dagen per lidstaat.
Volgens artikel 21 van de Schengenuitvoeringsovereenkomst hebben vreemdelingen met een verblijfsvergunning van een EU-lidstaat in beginsel het recht om op basis van die verblijfsvergunning, indien zij beschikken over geldig reisdocument en middelen, ten hoogste 90 binnen 180 dagen te verblijven in een andere lidstaat. In artikel 3.3, eerste lid, onder d, Vb is deze termijn van 90 dagen geïmplementeerd. In het onderhavige besluit is deze termijn verruimd voor de nieuwe vormen van mobiliteit.

Inwerkingtreding m.i.v. 23-05-2018.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.