Stb. 2018, 30 Diverse verbeteringen (straf)rechtspraktijk

Wet van 31-01-2018, Stb. 2018, 30 en inwerkingtredingsbesluit van 16-04-2018, Stb. 2018, 168

Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en enkele andere strafrechtelijke wetten met het oog op het aanbrengen van enkele hoofdzakelijk procedurele verbeteringen ten behoeve van de rechtspraktijk

Deze wet wijzigt een aantal wetten op het terrein van het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Het betreft gevallen waarin met wettelijke procedurevoorschriften, het ontbreken daarvan of een gemaakt onderscheid geen recht (meer) wordt gedaan aan ontwikkelingen in de jurisprudentie of de rechtspraktijk. De wet betreft de volgende wijzigingen:

  • Een wijziging van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan de maximale termijn voor de klinische observatie ten behoeve van het onderzoek naar de geestesvermogens van de verdachte eenmalig kan worden verlengd door de rechter-commissaris. Wanneer de verdachte medewerking aan het onderzoek weigert, kan vaak geen concludent advies worden opgesteld. Een langere observatietermijn geeft de gedragsdeskundigen de mogelijkheid om de observatietechnieken aan te passen waarmee zij naar verwachting een meer volledige conclusie kunnen trekken en bij meer observandi die medewerking weigeren tot een volledig inhoudelijk advies kunnen komen.
  • Een wijziging van het Wetboek van Strafvordering waarmee de tussentijdse multidisciplinaire externe toets bij de procedure tot verlenging van de terbeschikkingstelling (tbs) met verpleging van overheidswege om de vier jaar in plaats van om de zes jaar zal plaatsvinden. Deze wijziging houdt verband met het doel om de gemiddelde behandelduur van de tbs-maatregel terug te brengen. De wijziging vloeit voort uit een toezegging naar aanleiding van een aanbeveling van de Taskforce behandelduur tbs (Kamerstukken II 2014/15, 29 452, bijlage bij nr. 187).
  • Een wijziging van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie maakt een procedure mogelijk waarmee in Nederland opgelegde bestuurlijke boetes ten aanzien van arbeids- en rusttijdenwetgeving erkend kunnen worden in een andere lidstaat en aldaar ten uitvoer kunnen worden gelegd. Deze wijziging vloeit voort uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2014:4346) en de toezegging om de wet op dit punt aan te passen (Aanhangsel Handelingen II 2015/16, 2271, p. 7).
  • Een wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen met als doel om de procedure van enkelvoudige afdoening door de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming mogelijk te maken in gevallen waarin het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond is. Zo blijft er meer tijd en capaciteit over voor zaken die inhoudelijk meer afweging vergen. 
  • Een wijziging van het Wetboek van Strafrecht waarmee de wettelijke termijn waarbinnen de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke geldvorderingen wordt verlengd met de afkoelingsperiode op grond van artikel 5 van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs). Hiermee wordt voorkomen dat de afkoelingsperiode op grond van de Wgs doorloopt gedurende de tenuitvoerleggingstermijn voor strafrechtelijke financiële sancties.
  • Enkele wijzigingen die verband houden met de Wet langdurig toezicht (Stb. 2016, 460).  Vooruitlopend op de inwerkingtreding is gebleken dat zich in de praktijk problemen zouden kunnen voordoen met betrekking tot de in de wet gehanteerde vorderingstermijn voor de tenuitvoerlegging van de zelfstandige gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM). Die termijn wordt met deze wijziging ingekort, waarbij wordt aangesloten bij de termijn voor het vorderen van verlenging van deze zelfstandige maatregel en van de verlenging van de tbs-maatregel.
  • Een wijziging van het Wetboek van Strafvordering waarmee de bevoegdheden van de politievrijwilligers die voor de uitvoering van niet-executieve politietaken zijn aangesteld en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar zijn, ten aanzien van de identiteitsvaststelling gelijkgesteld worden aan de bevoegdheden van de beroepsmatige executieve en niet-executieve politieambtenaren van politie. Hiermee wordt aangesloten bij de al eerder in gang gezette lijn dat politievrijwilligers zoveel mogelijk dezelfde bevoegdheden hebben als de politieambtenaren die beroepsmatig bij de politie werkzaam zijn. 
  • De wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden heeft tot doel ervoor te zorgen dat vrijwillige ambtenaren van politie die met executieve politietaken of met de uitvoering van ondersteunende taken op het terrein van de technische recherche zijn belast, dezelfde bevoegdheden hebben als die de ‘gewone’ politieambtenaren op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden zijn toegekend.

Inwerkingtreding met ingang van 01-07-2018.


Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.