Stb. 1995, 51 Rijksoctrooiwet

Rijkswet van 19-12-2002, Stb. 2003, 35

Rijkswet tot wijziging van de Rijksoctrooiwet 1995 in verband met de behandeling van octrooiaanvragen die zijn ingediend op grond van de Rijksoctrooiwet

—Bij de totstandkoming van de Rijksoctrooiwet 1995 was duidelijk dat de instandhouding daarnaast van de Rijksoctrooiwet slechts een tijdelijke zaak zou zijn: er werd immers voor een nieuwe systeem van octrooiverlening gekozen, waarbij octrooiaanvragen niet meer getoetst zouden worden. Weliswaar werd er tevens voor gekozen de bestaande ROW daarnaast in stand te houden, maar duidelijk was dat dit slechts bij wege van overgangsmaatregel zou zijn. Tegenover degenen die nog onder de oude wet een aanvrage hadden ingediend, werd het billijk geacht deze aanvrage te behandelen volgens het systeem waarvan zij hadden mogen verwachten dat dit gehanteerd zou worden. De nieuwe regeling bevat overgangsrecht waarmee wordt beoogd aanvragen die zijn ingediend op grond van de Rijksoctrooiwet sneller af te handelen dan op grond van het huidige overgangsrecht zou gebeuren. Daardoor zal de ROW over een paar jaar kunnen vervallen en zullen alle octrooiaanvragen kunnen worden behandeld volgens het systeem van de Rijksoctrooiwet 1995.

Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan kan worden vastgesteld.


Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit van 6-2-2003, Stb. 2003, 66

De Rijkswet van 19-12-2002 tot wijziging van de Rijksoctrooiwet 1995 in verband met de behandeling van octrooiaanvragen die zijn ingediend op grond van de Rijksoctrooiwet (Stb. 2003, 35) treedt in werking met ingang van 15 maart 2003, met uitzondering van artikel 1, onderdeel B, artikel 102a, dat in werking treedt met ingang van 1 juli 2003.


Inwerkingtredingsbesluit van 05-12-2018, Stb. 2018, 469

Besluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 53, derde lid, tweede volzin, van de Rijksoctrooiwet 1995 (Stb. 1995, 51)

—Het octrooirecht is in artikel 53 van de Rijksoctrooiwet 1995 geformuleerd als, kort gezegd, een uitsluitend recht om een geoctrooieerd voortbrengsel of geoctrooieerde werkwijze te vervaardigen, toe te passen of de andere in dat artikel genoemde handelingen te verrichten. Artikel 53, derde lid, tweede volzin, van de Rijksoctrooiwet 1995, dat met dit besluit met ingang van 01-02-2018 in werking treedt en waarin de zogenoemde apothekersvrijstelling is geregeld, vormt een uitzondering op dit uitsluitend recht. Deze vrijstelling is bedoeld voor de bereiding van geneesmiddelen voor direct gebruik ten behoeve van individuele patiënten en op medisch voorschrift in apotheken. Daarmee wordt het mogelijk dat een apotheker in individuele gevallen het geoctrooieerde geneesmiddel zelf bereidt (de zogenoemde magistrale bereiding), bijvoorbeeld wanneer een voor een individuele patiënt geschikte dosering of toe­dieningswijze niet beschikbaar is. De uitzondering strekt er niet toe om op structurele schaal een geoctrooieerd geneesmiddel zonder toestemming van de octrooihouder te bereiden; daarmee zou diens recht immers uitgehold worden. Deze bepaling stond altijd al in de Rijks­octrooiwet, maar was nog nooit in werking getreden.


Kamerstukken



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.