Stb. 2018, 401 Implementatie richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging

Wet van 17-10-2018, Stb. 2018, 401

Wet tot wijziging van de Wet politie­gegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoons­gegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen

—Met deze wet wordt uitvoering gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoons­gegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. De wet bevat wijzigingen in verplichtingen voor de verwerkings­verantwoordelijke die tot een verbeterd beschermings­niveau leiden van degene op wie de verwerking van een politiegegeven of een gegeven als bedoeld in de Wjsg betrekking heeft, aldus de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. (Zie uitgebreid over het toepassingsbereik en ook over de verhouding tot de AVG: NJB 2018/482).

De richtlijn heeft een aantal consequenties voor de nationale wetgeving. In de eerste plaats kan worden gewezen op het ruimere toepassingsgebied van de richtlijn ten opzichte van het voormalige kaderbesluit dataprotectie, omdat de richtlijn ook van toepassing is op de verwerking van persoons­gegevens die uitsluitend op nationaal niveau plaatsvindt. Dit onderscheid is voor Nederland minder van belang omdat destijds is gekozen voor een zo veel mogelijk extensieve implementatie van het voormalige kaderbesluit dataprotectie. De richtlijn leidt wat betreft toepassingsbereik wel tot een aantal gevolgen voor de Wpg, Wjsg en nog een aantal andere wetten. 

In de tweede plaats maakt de richtlijn onderscheid tussen de verwerking van persoons­gegevens in de lidstaten van de Europese Unie enerzijds en de doorgifte van persoons­gegevens aan derde landen en internationale organisaties anderzijds. Met dit onderscheid wordt afgeweken van de structuur van de Wpg en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen de verwerking van gegevens op nationaal niveau en de verstrekking van gegevens aan derde landen en internationale organisaties, waarbij nader onderscheid werd gemaakt tussen de verstrekking aan andere lidstaten en de verstrekking aan derde landen.

In de derde plaats bevat de richtlijn nieuwe verplichtingen voor de verwerkings­verantwoordelijke. Dit betreft verplichtingen als de (actieve) beschikbaarstelling van informatie over de gegevens­verwerking aan de betrokkene, het bijhouden van logbestanden, de registratie van gegevens over de gegevens­verwerkingen, het verrichten van gegevens­beschermings­effect­beoordelingen en het verplicht melden van datalekken aan de betrokkene en aan de toezichthoudende autoriteit. Op deze punten behoeven de Wpg en de Wjsg aanpassing, de betreffende verplichtingen van de richtlijn zijn in deze wet opgenomen.

In de vierde plaats bevat de richtlijn uitgebreide regels over de positie, de taken en bevoegdheden van de toezichthoudende instantie. Voor Nederland betreft dit de Autoriteit persoons­gegevens. Voor zover de regels van de richtlijn aanleiding geven tot aanpassing van de Wpg en de Wjsg, zijn de betreffende regels in deze wet opgenomen. In de Wpg wordt voorzien in een zelfstandige regeling van de positie, taken en bevoegdheden van de AP, ter implementatie van de richtlijn. Voor enkele onderdelen van de richtlijn die overeenkomen met de regels die op basis van de verordening zijn uitgewerkt in de Uitvoeringswet AVG, wordt volstaan met verwijzing naar die wet. Voor wat betreft de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteit laat de richtlijn, anders dan de AVG, een grote mate van vrijheid aan de lidstaten om de bevoegdheden vorm te geven. Uitgangspunt bij de implementatie is aan de verplichtingen van de richtlijn op dit punt uitvoering te geven door de bestaande bevoegdheden van de Autoriteit persoons­gegevens op basis van de Wpg en de Wjsg te continueren. Tevens worden de bevoegdheden van de Autoriteit persoons­gegevens tot het opleggen van bestuurlijke boetes verruimd en de maximale boetebedragen verhoogd, zodat de regeling meer in balans is met die van de verordening.

In de vijfde plaats leidt de uitgebreide regeling voor het recht van de betrokkene op informatie over de verwerking van de hem of haar betreffende persoons­gegevens tot een aantal aanpassingen. 

De verstrekking van informatie over de verwerking van politie­gegevens geschiedt in een beknopte en toegankelijke vorm en is kosteloos. Ingeval van vexatoire verzoeken, die kennelijk ongegrond of buitensporig zijn, kan de verwerkings­verantwoordelijke een redelijke vergoeding aanrekenen of weigeren gevolg te geven aan het verzoek. Hierbij is niet alleen voorzien in een meer passieve informatieplicht, naar aanleiding van een verzoek van de betrokkene, maar ook een meer actieve informatieplicht. Dit laatste betreft de verplichting om de betrokkene bepaalde gegevens ter beschikking te stellen, zoals de identiteit van de verwerkings­verantwoordelijke en de doeleinden van de verwerking en het recht op inzage van de gegevens. Voor de transparante en kosteloze verstrekking van informatie, de mogelijkheid van weigering bij vexatoire verzoeken en het actief ter beschikking stellen van bepaalde persoons­gegevens is aanpassing van de Wpg en Wjsg aangewezen. Aanvullend heeft de betrokkene het recht op inzage van de verwerkte persoons­gegevens. De Wpg en de Wjsg voorzien reeds in een regeling voor het recht van inzage voor de betrokkene. De formulering van de weigeringsgronden en de mogelijkheid van uitsluiting van bepaalde categorieën van persoons­gegevens van het recht op inzage en rectificatie nopen echter tot aanpassing van deze wetten. Ditzelfde geldt voor de mogelijkheid deze rechten via de toezicht­houdende autoriteit uit te oefenen.

Ten slotte belet de richtlijn niet in het nationale recht uitgebreidere waarborgen te bieden dan die waarin de richtlijn voorziet (artikel 1, derde lid, Rl). Dit betekent dat, daar waar de Wpg en de Wjsg thans uitgebreidere waarborgen bieden dan die welke uit de richtlijn voortvloeien, die waarborgen kunnen worden gehandhaafd.


Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit van 06-12-2018, Stb. 2018, 495

Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet tot wijziging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens ter implementatie van Europese regelgeving over de verwerking van persoons­gegevens met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen van 17 oktober 2018 (Stb. 2018, 401)

—De wet treedt, met uitzondering van de artikelen I, onderdeel AL, II, onderdeel W, artikel 26e, en IIa, in werking met ingang van 01-01-2019.


Kamerstukken



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.