Stb. 2020, 64 Nieuwe bevoegd­heden consumentenbescherming

Wet van 05-02-2020, Stb. 2020, 64

Wet van 5 februari 2020 tot wijziging van de Wet handhaving consumenten­bescherming ter uitvoering van Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumenten­bescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004

—Verordening (EU) 2017/2394 voorziet in onderzoeks- en hand­havings­bevoegd­heden waarover elke bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de handhaving van de wetgeving inzake consumenten­bescherming ten minste dient te beschikken. De nieuwe verordening continueert de door de oude (door dit wetsvoorstel in te trekken) verordening voorgeschreven minimum­bevoegd­heden en vereist bovendien enkele nieuwe minimum­bevoegd­heden voor de bevoegde autoriteiten. Die nieuwe bevoegd­heden betreffen een bevoegdheid om toezicht te houden met een fictieve identiteit en bevoegd­heden ten aanzien van online interfaces en domeinnamen. In aansluiting op de huidige uitvoering van de oude verordening worden deze nieuwe bevoegd­heden als bestuurs­rechtelijke bevoegd­heden van de betreffende bevoegde autoriteiten geïntroduceerd. De regelgeving ter bescherming van consumenten wordt door de overheid exclusief bestuurs­rechtelijk gehandhaafd; overtredingen van deze regelgeving zijn niet als commuun of economisch delict strafbaar gesteld. Bestuurs­rechtelijke handhaving sluit dus aan op het bestaande stelsel, hetgeen overigens niet weg neemt dat bij overtreding van consumentenregelgeving sprake kan zijn van samenloop met strafrechtelijke overtredingen. De nieuwe bevoegd­heden kunnen niet alleen worden toegepast bij inbreuken binnen de unie, maar ook wanneer er sprake is van inbreuken met een nationaal karakter, zoals gedefinieerd in deze wet.

Toezicht met fictieve identiteit en hoedanigheid houdt in dat een toezichthouder zonder zich als zodanig bekend te maken, deelneemt aan het handelsverkeer om te bezien of een handelaar zich in de praktijk houdt aan de regels ter bescherming van consumenten. De wet bevat daarom een uitzondering op de identificatieplicht van artikel 5:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bij de uitoefening van de bevoegdheid om te handelen met een fictieve identiteit. Als de toezichthouder wordt gevraagd zijn legitimatiebewijs te tonen, hoeft hij of zij deze niet te laten zien. Het gebruik van deze bevoegdheid moet nodig en proportioneel zijn en de handelwijze van de toezichthouder dient achteraf toetsbaar te zijn voor een rechter. Daarom wordt de toezichthouder verplicht tot het opstellen van een verslag. De Autoriteit Consument en Markt zal bovendien vanuit haar coördinerende rol als verbindingsbureau de totstandkoming van – op elkaar afgestemde – afwegingskaders ten aanzien van deze bevoegdheid bij de verschillende toezichthouders bevorderen.

In gevallen waarin het risico bestaat op ernstige schade voor de collectieve consumentenbelangen, moeten de bevoegde autoriteiten op grond van de verordening maatregelen kunnen nemen, waaronder het verwijderen van inhoud van een online interface of gelasten dat een duidelijk zichtbare waarschuwing wordt getoond wanneer consumenten zich toegang tot de online interface verschaffen. De maatregelen moeten geschikt zijn om hun doelstelling te verwezenlijken en mogen niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is. Deze door de verordening vereiste bevoegd­heden worden met deze wet toegevoegd aan het bestuurs­rechtelijke instrumentarium van de betrokken bevoegde autoriteiten, in de vorm van een zelfstandige last, gericht aan een aanbieder van een hostingdienst, een beheerder van een domeinregister of een registrerende instantie dan wel aan een andere partij die ertoe in staat is om de last uit te voeren, nadat de dringende noodzaak daarvan is aangetoond. De wet bevat tevens enkele waarborgen die maken dat de toepassing van deze bevoegdheid alleen plaatsvindt met het oog op het gerechtvaardigde belang van de bescherming van consumenten tegen inbreuken op hun wettelijke rechten, zoals vereist door de Europese verordening. De inzet van de bevoegdheid wordt onder meer afhankelijk gesteld van een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank Rotterdam. Na oplegging van de voorgestelde zelfstandige last staat voor belang­hebbenden bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet bestuursrecht. De machtiging van de rechter-commissaris kan in deze procedure betrokken worden. Dit neemt niet weg dat de proportionaliteit en noodzakelijkheid van de zelfstandige last gronden voor bezwaar en beroep kunnen zijn, die de bestuursrechter zelfstandig en integraal kan toetsen.

Deze wet is op 19 februari 2020 in werking getreden.


Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.