Stb. 2009, 264 Vierde tranche Awb

Wet van 25-6-2009, Stb. 2009, 264 en Inwerkingtredingsbesluit van 25-6-2009 Stb. 2009, 266

Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht.

De Awb wordt aangevuld met drie onderwerpen, nl. bestuursrechtelijke geldschulden, bestuurlijke handhaving in het bijzonder de bestuursrechtelijke boete en attributie van bevoegdheden aan ambtenaren.

Het eerste deel van deze vierde tranche geeft algemene regels voor uit het bestuursrecht voortvloeiende geldschulden van de burger aan de overheid (bijvoorbeeld een belastingschuld) en van de overheid aan de burger (bijvoorbeeld een WW-uitkering of een subsidie). Daarvoor wordt onder meer een algemene betalingstermijn van zes weken geregeld. Bij te late betaling wordt de schuld vermeerderd met de wettelijke rente. Dit geldt zowel voor de overheid als voor de burger. Daarnaast bevat de tranche algemene regels voor zaken als bevoorschotting, uitstel van betaling en verjaring. Ook wordt een uniforme procedure geregeld voor de invordering bij dwangbevel van schulden aan de overheid. Deze procedure vervangt bestaande dwangbevelprocedures in meer dan vijftig verschillende wetten en betekent dus een belangrijke vereenvoudiging van de regelgeving.

Het tweede deel van deze tranche bevat algemene regels voor geldboetes die niet door de strafrechter worden opgelegd, maar door bestuursorganen zoals de fiscus of de Nederlandse mededingingsautoriteit. Deze bestuurlijke boetes zijn op grote schaal ingevoerd om de strafrechter en het OM te ontlasten. Daarbij moeten telkens opnieuw regels worden gesteld over de te volgen procedure, over de rechten van degene aan wie de boete wordt opgelegd, over verjaring en dergelijke. Al deze regels worden nu vervangen door één algemene regeling. Dit is conform de wens van de Tweede Kamer. De wet regelt niet, voor welke overtredingen een bestuurlijke boete kan worden opgelegd of hoe hoog die kan zijn. Naast de algemene bepalingen en de regeling inzake de bestuurlijke boete bevat deze tranche één belangrijke aanvulling van de regeling inzake de bestuursdwang en de last onder dwangsom. Als een bestuursorgaan op verzoek van een derde één van deze sancties oplegt, maar deze vervolgens niet effectueert, kan deze derde dit niet-effectueren op het ogenblik niet bij de bestuursrechter aanvechten. Dit wordt nu wel mogelijk gemaakt door de introductie van twee nieuwe typen beschikkingen, te weten de beschikking omtrent tenuitvoerlegging bij bestuursdwang en de beschikking omtrent invordering bij de last onder dwangsom.

Het laatste deel van deze tranche legt de bestaande regel vast dat een ambtenaar die eigen wettelijke bevoegdheden heeft, zoals een belastinginspecteur of een gemeentelijke belastingambtenaar, niettemin ondergeschikt blijft aan het politiek verantwoordelijke bestuursorgaan waarvoor hij werkt.

Bestuursrecht, burgerlijk recht en strafrecht

In de Memorie van Toelichting wordt uitgebreid aandacht besteed aan de verhouding tussen bestuursrecht, burgerlijk recht en strafrecht. De twee grootste onderdelen van deze aanvulling van de Awb, de regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden en die inzake bestuurlijke boeten, betreffen beide onderwerpen, die vooral in andere rechtsgebieden dan het bestuursrecht waren geregeld. Tot voor kort was het voor juristen vanzelfsprekend dat men voor regels inzake de betaling en verdere afwikkeling van geldschulden het Burgerlijk Wetboek moest openslaan en voor regels inzake de bestraffing van normovertredingen het Wetboek van Strafrecht. Over beide onderwerpen worden nu ook regels opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.

Het komt regelmatig voor, dat een bepaald verschijnsel of een bepaalde rechtsfiguur in het bestuursrecht niet is geregeld, terwijl dezelfde of een verwante figuur in het privaatrecht of in het strafrecht wel is geregeld. Dit komt doordat het algemeen bestuursrecht veel jonger en daardoor minder ver ontwikkeld is dan de beide andere rechtsgebieden. Hoewel het bijzondere, materiële bestuursrecht zeer veel regels kent, zijn in het algemeen bestuursrecht toch nog veel zaken niet geregeld.

Dit betekent dat men in bestuursrechtelijke verhoudingen regelmatig moet terugvallen op regels uit één van de andere rechtsgebieden; vooral uit het privaatrecht, maar in mindere mate ook wel uit het strafrecht. Vaak kan dat zonder problemen, maar soms blijken de privaat- en strafrechtelijke regels minder geschikt, omdat zij niet primair voor bestuursrechtelijke verhoudingen zijn geschreven en daardoor soms onvoldoende rekening houden met de specifieke kenmerken daarvan, zoals de machtsongelijkheid tussen burger en overheid.

Vaak zal de reden om een elders geregeld onderwerp ook in de Awb te regelen ook liggen in onduidelijkheid over het antwoord op de vraag in hoeverre regels uit andere rechtsgebieden in het bestuursrecht kunnen worden toegepast. Juist omdat de eigen aard van het bestuursrecht met zich meebrengt dat andere regels dan in het strafrecht en het privaatrecht nodig kunnen zijn, behoort de wetgever daarover zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen, aldus de MvT. Dit geldt zowel voor het geval dat niet als voor het geval dat wel bij die andere rechtsgebieden kan worden aangesloten. In het laatste geval kan het aangewezen zijn om duidelijkheid te verschaffen door de bewuste bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren op bestuursrechtelijke verhoudingen. Deze aanvulling biedt daarvan diverse voorbeelden.

Het uitgangspunt voor de opstellers is geweest om nodeloze verschillen tussen de rechtsgebieden te voorkomen. Wanneer de privaatrechtelijke of strafrechtelijke regels ook voor bestuursrechtelijke verhoudingen goed voldoen, moet daarbij worden aangesloten. Dat kan ook omdat veel van wat op het eerste gezicht typisch bestuurs-, straf- of privaatrechtelijk lijkt, bij nadere beschouwing een uitwerking is van aan de verschillende rechtsgebieden gemeenschappelijke rechtsbeginselen. Zo berust ook de nu voorgestelde regeling inzake de bestuurlijke boete op beginselen als 'geen straf zonder schuld', ne bis in idem en nulla poena sine lege. Bestraffing door het bestuur in plaats van de door de rechter vraagt een iets andere uitwerking op het niveau van de precieze regels, maar de dragende beginselen zijn dezelfde, aldus de MvT. Steeds is gezocht naar een evenwicht tussen enerzijds het geven van eigen, afwijkende regels voor het bestuursrecht waar dat nodig is en anderzijds het aansluiten bij bestaande privaat- of strafrechtelijke regels waar dat mogelijk is. 'Het wiel behoeft niet opnieuw te worden uitgevonden, maar het moet soms wel op de bestuursrechtelijke maat worden gemaakt,' aldus de opstellers.

Inwerkingtreding 1-7-2009

Wet van 5-6-2009, Stb. 2009, 265 en Inwerkingtredingsbesluit van 25-6-2009, Stb.2009, 266

Wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht.

De vierde tranche regelt drie onderwerpen nl. bestuursrechtelijke geldschulden (titel 4.4); bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete (titels 5.1 en 5.4) en attributie (afdeling 10.1.3). Deze aanpassingswet voorziet in de noodzakelijke aanpassingen, voorzover zij betrekking hebben op bestaande wetgeving in formele zin, met uitzondering van rijkswetten. Het karakter van de bepalingen in de vierde tranche Awb is hoofdzakelijk dwingend van aard. Met betrekking tot bijvoorbeeld titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden wil dit zeggen dat de voorschriften omtrent de vaststelling en de inhoud van de betalingsverplichting, het tijdstip waarop de geldvordering verjaart alsmede wanneer aanmaning en invordering bij dwangbevel mogelijk is, voor het gehele bestuursrecht gelden. Voor de aanpassingswetgeving betekent dit dat bepalingen die met een dergelijk dwingend voorschrift in strijd zijn, dienen te vervallen. Hetzelfde geldt voor voorschriften in de bijzondere wetgeving die hetzelfde voorschrijven als het dwingende Awb-voorschrift: dergelijke bepalingen worden overbodig. Slechts op het niveau van formele wet kan zo nodig worden afgeweken van deze dwingendrechtelijke voorschriften. Dit dient dan in zulke gevallen uitdrukkelijk in de bijzondere wet te worden vermeld door middel van de formulering: 'In afwijking van artikel ... Awb ...’. Daarnaast bevat de vierde tranche Awb regelend recht. Een voorbeeld zijn de zgn. 'gangbare bepalingen’. Dit zijn bepalingen waarin een algemeen bruikbare regeling is gegeven maar waarbij de wetgever rekening heeft gehouden met de noodzaak of wenselijkheid dat in een beperkt aantal gevallen een andere regel zou moeten gelden. Van deze hoofdregel mag in wettelijke voorschriften van ieder niveau worden afgeweken.

Inwerkingtreding 1-7-2009, m.u.v. artt. 10.1.At/m E en 10.18.B

Besluit van 25-6-2009, Stb. 2009, 267

Besluit houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de Vierde tranche van de Algemene wet Bestuursrecht. Een lange lijst Besluiten wordt aangepast aan de Vierde Tranche Awb.

Inwerkingtreding 1-7-2009

Wet van 25-6-2009, Stb. 2009, 264 en Inwerkingtredingsbesluit van 25-6-2009 Stb. 2009, 266

Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht.

De Awb wordt aangevuld met drie onderwerpen, nl. bestuursrechtelijke geldschulden, bestuurlijke handhaving in het bijzonder de bestuursrechtelijke boete en attributie van bevoegdheden aan ambtenaren.

Het eerste deel van deze vierde tranche geeft algemene regels voor uit het bestuursrecht voortvloeiende geldschulden van de burger aan de overheid (bijvoorbeeld een belastingschuld) en van de overheid aan de burger (bijvoorbeeld een WW-uitkering of een subsidie). Daarvoor wordt onder meer een algemene betalingstermijn van zes weken geregeld. Bij te late betaling wordt de schuld vermeerderd met de wettelijke rente. Dit geldt zowel voor de overheid als voor de burger. Daarnaast bevat de tranche algemene regels voor zaken als bevoorschotting, uitstel van betaling en verjaring. Ook wordt een uniforme procedure geregeld voor de invordering bij dwangbevel van schulden aan de overheid. Deze procedure vervangt bestaande dwangbevelprocedures in meer dan vijftig verschillende wetten en betekent dus een belangrijke vereenvoudiging van de regelgeving.

Het tweede deel van deze tranche bevat algemene regels voor geldboetes die niet door de strafrechter worden opgelegd, maar door bestuursorganen zoals de fiscus of de Nederlandse mededingingsautoriteit. Deze bestuurlijke boetes zijn op grote schaal ingevoerd om de strafrechter en het OM te ontlasten. Daarbij moeten telkens opnieuw regels worden gesteld over de te volgen procedure, over de rechten van degene aan wie de boete wordt opgelegd, over verjaring en dergelijke. Al deze regels worden nu vervangen door één algemene regeling. Dit is conform de wens van de Tweede Kamer. De wet regelt niet, voor welke overtredingen een bestuurlijke boete kan worden opgelegd of hoe hoog die kan zijn. Naast de algemene bepalingen en de regeling inzake de bestuurlijke boete bevat deze tranche één belangrijke aanvulling van de regeling inzake de bestuursdwang en de last onder dwangsom. Als een bestuursorgaan op verzoek van een derde één van deze sancties oplegt, maar deze vervolgens niet effectueert, kan deze derde dit niet-effectueren op het ogenblik niet bij de bestuursrechter aanvechten. Dit wordt nu wel mogelijk gemaakt door de introductie van twee nieuwe typen beschikkingen, te weten de beschikking omtrent tenuitvoerlegging bij bestuursdwang en de beschikking omtrent invordering bij de last onder dwangsom.

Het laatste deel van deze tranche legt de bestaande regel vast dat een ambtenaar die eigen wettelijke bevoegdheden heeft, zoals een belastinginspecteur of een gemeentelijke belastingambtenaar, niettemin ondergeschikt blijft aan het politiek verantwoordelijke bestuursorgaan waarvoor hij werkt.

Bestuursrecht, burgerlijk recht en strafrecht

In de Memorie van Toelichting wordt uitgebreid aandacht besteed aan de verhouding tussen bestuursrecht, burgerlijk recht en strafrecht. De twee grootste onderdelen van deze aanvulling van de Awb, de regeling inzake bestuursrechtelijke geldschulden en die inzake bestuurlijke boeten, betreffen beide onderwerpen, die vooral in andere rechtsgebieden dan het bestuursrecht waren geregeld. Tot voor kort was het voor juristen vanzelfsprekend dat men voor regels inzake de betaling en verdere afwikkeling van geldschulden het Burgerlijk Wetboek moest openslaan en voor regels inzake de bestraffing van normovertredingen het Wetboek van Strafrecht. Over beide onderwerpen worden nu ook regels opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht.

Het komt regelmatig voor, dat een bepaald verschijnsel of een bepaalde rechtsfiguur in het bestuursrecht niet is geregeld, terwijl dezelfde of een verwante figuur in het privaatrecht of in het strafrecht wel is geregeld. Dit komt doordat het algemeen bestuursrecht veel jonger en daardoor minder ver ontwikkeld is dan de beide andere rechtsgebieden. Hoewel het bijzondere, materiële bestuursrecht zeer veel regels kent, zijn in het algemeen bestuursrecht toch nog veel zaken niet geregeld.

Dit betekent dat men in bestuursrechtelijke verhoudingen regelmatig moet terugvallen op regels uit één van de andere rechtsgebieden; vooral uit het privaatrecht, maar in mindere mate ook wel uit het strafrecht. Vaak kan dat zonder problemen, maar soms blijken de privaat- en strafrechtelijke regels minder geschikt, omdat zij niet primair voor bestuursrechtelijke verhoudingen zijn geschreven en daardoor soms onvoldoende rekening houden met de specifieke kenmerken daarvan, zoals de machtsongelijkheid tussen burger en overheid.

Vaak zal de reden om een elders geregeld onderwerp ook in de Awb te regelen ook liggen in onduidelijkheid over het antwoord op de vraag in hoeverre regels uit andere rechtsgebieden in het bestuursrecht kunnen worden toegepast. Juist omdat de eigen aard van het bestuursrecht met zich meebrengt dat andere regels dan in het strafrecht en het privaatrecht nodig kunnen zijn, behoort de wetgever daarover zoveel mogelijk duidelijkheid te verschaffen, aldus de MvT. Dit geldt zowel voor het geval dat niet als voor het geval dat wel bij die andere rechtsgebieden kan worden aangesloten. In het laatste geval kan het aangewezen zijn om duidelijkheid te verschaffen door de bewuste bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van het Wetboek van Strafrecht uitdrukkelijk van overeenkomstige toepassing te verklaren op bestuursrechtelijke verhoudingen. Deze aanvulling biedt daarvan diverse voorbeelden.

Het uitgangspunt voor de opstellers is geweest om nodeloze verschillen tussen de rechtsgebieden te voorkomen. Wanneer de privaatrechtelijke of strafrechtelijke regels ook voor bestuursrechtelijke verhoudingen goed voldoen, moet daarbij worden aangesloten. Dat kan ook omdat veel van wat op het eerste gezicht typisch bestuurs-, straf- of privaatrechtelijk lijkt, bij nadere beschouwing een uitwerking is van aan de verschillende rechtsgebieden gemeenschappelijke rechtsbeginselen. Zo berust ook de nu voorgestelde regeling inzake de bestuurlijke boete op beginselen als 'geen straf zonder schuld', ne bis in idem en nulla poena sine lege. Bestraffing door het bestuur in plaats van de door de rechter vraagt een iets andere uitwerking op het niveau van de precieze regels, maar de dragende beginselen zijn dezelfde, aldus de MvT. Steeds is gezocht naar een evenwicht tussen enerzijds het geven van eigen, afwijkende regels voor het bestuursrecht waar dat nodig is en anderzijds het aansluiten bij bestaande privaat- of strafrechtelijke regels waar dat mogelijk is. 'Het wiel behoeft niet opnieuw te worden uitgevonden, maar het moet soms wel op de bestuursrechtelijke maat worden gemaakt,' aldus de opstellers.

Inwerkingtreding 1-7-2009

Wet van 5-6-2009, Stb. 2009, 265 en Inwerkingtredingsbesluit van 25-6-2009, Stb.2009, 266

Wet tot aanpassing van bijzondere wetten aan de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht.

De vierde tranche regelt drie onderwerpen nl. bestuursrechtelijke geldschulden (titel 4.4); bestuurlijke handhaving, in het bijzonder de bestuurlijke boete (titels 5.1 en 5.4) en attributie (afdeling 10.1.3). Deze aanpassingswet voorziet in de noodzakelijke aanpassingen, voorzover zij betrekking hebben op bestaande wetgeving in formele zin, met uitzondering van rijkswetten. Het karakter van de bepalingen in de vierde tranche Awb is hoofdzakelijk dwingend van aard. Met betrekking tot bijvoorbeeld titel 4.4 over bestuursrechtelijke geldschulden wil dit zeggen dat de voorschriften omtrent de vaststelling en de inhoud van de betalingsverplichting, het tijdstip waarop de geldvordering verjaart alsmede wanneer aanmaning en invordering bij dwangbevel mogelijk is, voor het gehele bestuursrecht gelden. Voor de aanpassingswetgeving betekent dit dat bepalingen die met een dergelijk dwingend voorschrift in strijd zijn, dienen te vervallen. Hetzelfde geldt voor voorschriften in de bijzondere wetgeving die hetzelfde voorschrijven als het dwingende Awb-voorschrift: dergelijke bepalingen worden overbodig. Slechts op het niveau van formele wet kan zo nodig worden afgeweken van deze dwingendrechtelijke voorschriften. Dit dient dan in zulke gevallen uitdrukkelijk in de bijzondere wet te worden vermeld door middel van de formulering: 'In afwijking van artikel ... Awb ...’. Daarnaast bevat de vierde tranche Awb regelend recht. Een voorbeeld zijn de zgn. 'gangbare bepalingen’. Dit zijn bepalingen waarin een algemeen bruikbare regeling is gegeven maar waarbij de wetgever rekening heeft gehouden met de noodzaak of wenselijkheid dat in een beperkt aantal gevallen een andere regel zou moeten gelden. Van deze hoofdregel mag in wettelijke voorschriften van ieder niveau worden afgeweken.

Inwerkingtreding 1-7-2009, m.u.v. artt. 10.1.At/m E en 10.18.B

Besluit van 25-6-2009, Stb. 2009, 267

Besluit houdende aanpassing van algemene maatregelen van bestuur aan de Vierde tranche van de Algemene wet Bestuursrecht. Een lange lijst Besluiten wordt aangepast aan de Vierde Tranche Awb.

Inwerkingtreding 1-7-2009

Kamerstukken:

Kamerstukken:

Kamerstukken:

Kamerstukken:

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.