Stb. 2006, 470 Hoger beroep in strafzaken beperkt

Wet van 5-10-2006, Stb. 2006, 470

Wet tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot het hoger beroep in strafzaken, het aanwenden van gewone rechtsmiddelen en het wijzigen van de telastlegging.

Het hoger beroep in strafzaken moet zich toespitsen op de bezwaren van de veroordeelde of van de officier van Justitie. Dat voorkomt dat zonder noodzaak opnieuw beslist wordt over zaken waarover geen verschil van mening bestaat. De capaciteit van de rechterlijke macht kan zo beter worden benut. Deze wet werd in oktober 2004 ter consultatie voorgelegd aan het OM, Raad voor de Rechtspraak, NVVR en NOvA.

Voor hoger beroep in strafzaken bij zware delicten zal de partij die in beroep gaat zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg duidelijk moeten maken. Minister Donner vond het, gezien de beperkte overheidsmiddelen, niet onredelijk van die partij -openbaar ministerie of verdachte - een prestatie te vragen als daarmee nodeloos (dubbel) werk wordt voorkomen. Bovendien zou de kwaliteit van behandeling verbeteren als deze zich concentreert op zaken waarover verschil van mening bestaat. Bij de behandeling van het hoger beroep kan in beginsel gebruik worden gemaakt van het voorafgaande onderzoek in eerste aanleg. De appélrechter 'bouwt' daarop voort omdat niet alles hoeft te worden overgedaan. Het veiligheidsprogramma had dergelijke maatregelen al aangekondigd. Ook sluit de wet grotendeels aan bij de aanbevelingen van de onderzoekers van het project Strafvordering 2001 waarin verbetering van de kwaliteit van de strafprocedure voorop staat.

In lichte strafzaken, waaronder overtredingen én misdrijven vallen, komt de minister met een nieuwe regeling: een toelatingsprocedure. Die is alleen van toepassing op veroordelingen tot een geldboete. Degene die in hoger beroep gaat moet voortaan schriftelijk opgeven waarom dat nodig is. De voorzitter van de strafkamer van het gerechtshof beslist dan. Bevat een vonnis alleen een geldboete tot € 500, dan wordt hoger beroep dus slechts toegelaten als daar een goede reden voor is. Zo blijft de mogelijkheid bestaan in deze zaken fouten te herstellen, terwijl het instellen van hoger beroep louter ter verkrijging van uitstel wordt tegengegaan. Het kan gaan om uiteenlopende zaken als een winkeldiefstal, huisvredebreuk of milieudelicten. Overtredingszaken met een boete tot en met € 50 blijven van hoger beroep uitgesloten.

Minister Donner verwachtte dat door de verhoogde appéldrempel minder zaken in hoger beroep behandeld behoeven te worden. Het verlofstelsel geeft daarnaast een extra besparing voor de eerste aanleg (de rechtbanken) met betrekking tot de uitwerking van vonnissen en processen-verbaal in lichte strafzaken. Het verlofstelsel zal tot een beperking van zaken ter zitting in appél leiden, waardoor de werkzaamheid van selectie van zaken ruimschoots wordt goedgemaakt. Het effect van de beperking van appélzaken werkt door in cassatie. In zowel de eerste als ook de tweede aanleg wordt voorts een besparing van enige zittingscapaciteit bereikt door het niet meer telkens behoeven te betekenen van gewijzigde telastleggingen in verstekzaken. Het voortbouwend appel en de daarin vereiste actieve opstelling van partijen zal de gemiddelde behandelduur van zaken in appel kunnen verkorten. Alle maatregelen bijeen moeten ertoe leiden dat de voor de rechtspleging beschikbare middelen effectiever dan thans kunnen worden ingezet in de diverse categorieën van zaken, al naargelang de aard en het gewicht van de verschillende zaken. De zwaardere, complexere zaken krijgen gerichtere aandacht, de zaken van gering belang kunnen eenvoudiger en sneller worden afgedaan. Een en ander betekent dat een hogere doorstroomsnelheid van zaken wordt bereikt. Gezien de druk op de rechtspleging en het grote aanbod van zaken betekent dit niet dat financiële besparingen worden bereikt, maar wel dat met dezelfde middelen onder gelijk blijvende omstandigheden meer zaken kunnen worden afgedaan. Dat vond de minister vanuit de wenselijkheid van berechting binnen redelijke termijn niet slechts een kwantitatief feit maar ook een kwalitatief wenselijke verbetering.

Inwerkingtreding op een bij kb te bepalen tijdstip.

Inwerkingtredingbesluit 10-2-2007, Stb. 2007, 70

Gefaseerde inwerkingtreding

Het overgrote deel van de wet is op 1 maart 2007 in werking getreden (Stb. 2006, 470). Dit geldt voor de onderdelen betreffende de regeling inzake het voortbouwend appél, de regeling hoger beroep van het OM tegen een vrijspraak bij verstek, de schrapping van het rechtsmiddel verzet, de maximumstrafoplegging door de enkelvoudige appelrechter, de opheffing van eenparigheidregels in hoger beroep, de beperking van terugverwijzing naar de rechter in eerste aanleg, de ondergeschikte wijziging van de tenlastelegging zonder kennisgeving en de verruiming van unus-rechtspraak in appel van economische strafzaken. Voor een tweetal onderdelen van de nieuwe wet zal de inwerkingtreding plaatsvinden op 1 juli 2007. Hierbij gaat het om enkele bepalingen inzake het beperkt verlofstelsel voor overtreding- en misdrijfzaken waarin in eerste aanleg een boete tot en met € 500 is opgelegd en een bepaling inzake het instellen van appel door middel van een brief aan de griffie. De inwerkingtreding van deze laatstgenoemde onderdelen van de wet vergt een aanpassing van het primaire processysteem (NIAS). Die aanpassing en implementatie kost iets meer tijd dan aanvankelijk is voorzien.

De wet is gedeeltelijk op 1 maart in werking getreden en zal voor een deel op 1 juli inwerking treden. Na overleg met de Raad voor de rechtspraak heeft de Minister van Justitie besloten tot deze gefaseerde aanpak. Het hoger beroep in strafzaken moet zich gaan toespitsen op de bezwaren van de veroordeelde of van de officier van Justitie. Dat voorkomt dat zonder noodzaak opnieuw beslist wordt over zaken waarover geen verschil van mening bestaat. De capaciteit van de rechterlijke macht kan zo beter worden benut.

Voor hoger beroep in strafzaken bij zware delicten zal de partij die in beroep gaat zijn bezwaren tegen het vonnis in eerste aanleg duidelijk moeten maken. Bij de behandeling van het hoger beroep kan in beginsel gebruik worden gemaakt van het voorafgaande onderzoek in eerste aanleg. De appélrechter 'bouwt' daarop voort omdat niet alles hoeft te worden overgedaan. Ook sluit de wet grotendeels aan bij de aanbevelingen van de onderzoekers van het project Strafvordering 2001 waarin verbetering van de kwaliteit van de strafprocedure voorop staat.

In lichte strafzaken, waaronder overtredingen én misdrijven vallen, komt een nieuwe regeling: een toelatingsprocedure. Die is alleen van toepassing op veroordelingen tot een geldboete. Degene die in hoger beroep gaat moet voortaan schriftelijk opgeven waarom dat nodig is. De voorzitter van de strafkamer van het gerechtshof beslist dan. Bevat een vonnis alleen een geldboete tot € 500, dan wordt hoger beroep dus slechts toegelaten als daar een goede reden voor is. Zo blijft de mogelijkheid bestaan in deze zaken fouten te herstellen, terwijl het instellen van hoger beroep louter ter verkrijging van uitstel wordt tegengegaan. Het kan gaan om uiteenlopende zaken als een winkeldiefstal, huisvredebreuk of milieudelicten. Overtredingszaken met een boete tot en met € 50 blijven van hoger beroep uitgesloten.

Verwacht wordt dat door de verhoogde appéldrempel minder zaken in hoger beroep behandeld behoeven te worden. Het verlofstelsel geeft daarnaast een extra besparing voor de eerste aanleg (de rechtbanken) met betrekking tot de uitwerking van vonnissen en processen-verbaal in lichte strafzaken. Het verlofstelsel zal tot een beperking van zaken ter zitting in appél leiden, waardoor de werkzaamheid van selectie van zaken ruimschoots wordt goedgemaakt. Het effect van de beperking van appélzaken werkt door in cassatie. In zowel de eerste als ook de tweede aanleg wordt voorts een besparing van enige zittingscapaciteit bereikt door het niet meer telkens behoeven te betekenen van gewijzigde telastleggingen in verstekzaken. Het voortbouwend appél en de daarin vereiste actieve opstelling van partijen zal de gemiddelde behandelduur van zaken in appél kunnen verkorten. Alle maatregelen bijeen moeten ertoe leiden dat de voor de rechtspleging beschikbare middelen effectiever dan thans kunnen worden ingezet in de diverse categorieën van zaken, al naargelang de aard en het gewicht van de verschillende zaken. De zwaardere, complexere zaken krijgen gerichtere aandacht, de zaken van gering belang kunnen eenvoudiger en sneller worden afgedaan. Een en ander betekent dat een hogere doorstroomsnelheid van zaken wordt bereikt. Gezien de druk op de rechtspleging en het grote aanbod van zaken betekent dit niet dat financiële besparingen worden bereikt, maar wel dat met dezelfde middelen onder gelijk blijvende omstandigheden meer zaken kunnen worden afgedaan. Dat vond de minister vanuit de wenselijkheid van berechting binnen redelijke termijn niet slechts een kwantitatief feit maar ook een kwalitatief wenselijke verbetering.

Invoering

Het overgrote deel van de wet zal in werking treden met ingang van 1 maart 2007. Dit geldt voor de onderdelen betreffende de regeling inzake het voortbouwend appel, de regeling hoger beroep van het OM tegen een vrijspraak bij verstek, de schrapping van het rechtsmiddel verzet, de maximumstrafoplegging door de enkelvoudige appélrechter, de opheffing van eenparigheidregels in hoger beroep, de beperking van terugverwijzing naar de rechter in eerste aanleg, de ondergeschikte wijziging van de tenlastelegging zonder kennisgeving en de verruiming van unus-rechtspraak in appél van economische strafzaken. Voor een tweetal onderdelen van de nieuwe wet zal de inwerkingtreding plaatsvinden op 1 juli 2007. Hierbij gaat het om enkele bepalingen inzake het beperkt verlofstelsel voor overtreding- en misdrijfzaken waarin in eerste aanleg een boete tot en met € 500 is opgelegd en een bepaling inzake het instellen van appél door middel van een brief aan de griffie. De inwerkingtreding van deze laatstgenoemde onderdelen van de wet vergt een aanpassing van het primaire processysteem (NIAS). Die aanpassing en implementatie vergt iets meer tijd dan aanvankelijk is voorzien.

Kamerstukken:

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.