Stb. 2013, 10 Europees bewijsverkrijgingsbevel

Wet van 13-12-2012, Stb. 2013, 10

Wet tot Implementatie van het kaderbesluit nr. 2008/978/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PbEU L 350)

—Het doel van het kaderbesluit is de samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie op het terrein van het vergaren en overdragen van voorwerpen, documenten of gegevens die kunnen dienen tot bewijs in een strafzaak te vergemakkelijken en te versnellen. Wanneer in de loop van een opsporingsonderzoek blijkt dat zich in een andere lidstaat bewijsmateriaal bevindt, is de medewerking van die andere lidstaat vereist om over de voorwerpen of gegevens te kunnen beschikken. Het kaderbesluit beoogt de bestaande procedures, die zijn gebaseerd op instrumenten inzake wederzijdse rechtshulp, te vervangen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het in 1999 genomen besluit van de Europese Raad te Tampere de justitiële samenwerking in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie te baseren op het beginsel van wederzijdse erkenning. Tijdens die Europese Raad werd geconcludeerd dat dit beginsel niet alleen van toepassing dient te zijn op strafvonnissen, maar ook op aan het proces voorafgaande justitiële beslissingen.

Als eerste stap is in 2003 het kaderbesluit 2003/577/JBZ inzake de tenuitvoerlegging in de Europese Unie van beslissingen tot bevriezing van voorwerpen en bewijsstukken (PbEG L 196) tot stand gekomen. Dit kaderbesluit ziet uitsluitend op de bevoegdheid tot inbeslagneming. Dit betekent dat noch de inzet van steunbevoegdheden die nodig kunnen zijn om de gewenste voorwerpen in beslag te nemen (zoals bijvoorbeeld een doorzoeking), noch de overdracht van de inbeslaggenomen voorwerpen aan de uitvaardigende lidstaat onder de reikwijdte van dat kaderbesluit vallen. Voor de overdracht van de inbeslaggenomen voorwerpen vereist het kaderbesluit een aanvullend rechtshulpverzoek waarop de traditionele rechtshulpregels van toepassing zijn. Dit kaderbesluit is geïmplementeerd bij wet van 16 juni 2005 (Stb. 2005, 310) in een nieuw ingevoegde titel XI van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering. Het onderhavige kaderbesluit geeft uitvoering aan het beginsel van wederzijdse erkenning en bevat dus ook een aantal noviteiten ten opzichte van de bestaande rechtshulpverdragen. Zo gaat artikel 11 van het kaderbesluit uit van een verplichting een Europees bewijsverkrijgingsbevel uit te voeren, tenzij de uitvoerende staat zich kan beroepen op één van de limitatief opgesomde weigeringsgronden. Bij een rechtshulpverzoek zijn de mogelijkheden om deze te weigeren ruimer. Het kaderbesluit bevat voorts in artikel 15 termijnen waarbinnen moet worden beslist over de tenuitvoerlegging van een Europees bewijsverkrijgingsbevel respectievelijk waarbinnen het bevel ten uitvoer moet worden gelegd. In de bestaande rechtshulpinstrumenten ontbreken dergelijke termijnen. Tot slot vallen zowel de inzet van steunbevoegdheden als de overdracht van inbeslaggenomen voorwerpen of gevorderde gegevens onder het kaderbesluit en worden daarmee bestreken door het beginsel van wederzijdse erkenning.

Het kaderbesluit bestrijkt slechts een deel van de samenwerking die thans onder de noemer ‘kleine rechtshulp’ plaatsvindt. Het gaat om het verzamelen van zogenoemd ‘bestaand bewijs’. Hiermee wordt gedoeld op voorwerpen, documenten of gegevens die reeds ergens aanwezig zijn en zo nodig door middel van bijvoorbeeld een doorzoeking, een bevel uitlevering stukken of een vordering tot het verstrekken van gegevens kunnen worden verkregen en vervolgens overgedragen. Het begrip ‘bestaand bewijs’ is gebruikt om aan te geven dat het kaderbesluit niet ziet op het vergaren van toekomstige informatie. Ook valt buiten de reikwijdte van het kaderbesluit de uitwisseling van gegevens uit strafregisters. Daarvoor bestaan afzonderlijke regelingen. Iedere lidstaat wijst de autoriteiten aan die bevoegd zijn tot het erkennen en ten uitvoer leggen respectievelijk het uitvaardigen van een Europees bewijsverkrijgingsbevel. In deze wet wordt (net als het geval is ten aanzien van de kleine rechtshulp) de officier van justitie een centrale positie gegeven ten aanzien van het erkennen en ten uitvoer leggen van een EBB. Afhankelijk van de bevoegdheden die moeten worden toegepast teneinde de gevraagde voorwerpen, bescheiden of gegevens te verkrijgen wordt het bevel door hemzelf ten uitvoer gelegd of door de rechter-commissaris. Bepalend hierbij is welke autoriteit bevoegd zou zijn wanneer de opsporingshandelingen in een nationale zaak zouden moeten worden toegepast. Het kaderbesluit staat toe dat lidstaten één of meer centrale autoriteiten aanwijzen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van Europese bewijsverkrijgingsbevelen afkomstig uit andere lidstaten. In het EBB moet worden aangegeven welke voorwerpen of gegevens de uitvaardigende autoriteit wenst te verkrijgen alsmede de locatie waar deze zich bevinden. Het bevel wordt vervolgens rechtstreeks gezonden aan de autoriteit die bevoegd is tot erkenning en tenuitvoerlegging van Europese bewijsverkrijgingsbevelen of, zo deze er is, aan de centrale autoriteit in de uitvoerende lidstaat. Gehouden tot uitvoering van een EBB is de lidstaat op het grondgebied waarvan de gevraagde voorwerpen, bescheiden of gegevens zich bevinden. Met deze wet komt de verlofprocedure ex artikel 552p Sv te vervallen voor de overdracht aan de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat van voorwerpen, bescheiden of gegevensdragers die zijn verkregen ter uitvoering van een EBB. Kort gezegd is de reden hiervoor dat een dergelijke afzonderlijke verlofprocedure zich niet goed verhoudt met het beginsel van wederzijdse erkenning dat ten grondslag ligt aan de samenwerking op basis van een EBB. De regels betreffende het uitvaardigen van een Europees bewijsverkrijgingsbevel en de erkenning en tenuitvoerlegging daarvan worden in een afzonderlijke afdeling in Titel XI ondergebracht. Die afdeling komt te staan naast de huidige bepalingen in Titel XI inzake de wederzijdse erkenning van ‘beslissingen tot bevriezing’ die uitvoering geven aan het kaderbesluit 2003/577/JBZ.
 

Inwerkingtreding

Inwerkingtredingsbesluit van 13-03-2013, Stb. 2013, 105

—Besluit tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de wet van 13 december 2012 tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2008/978/JBZ van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende het Europees bewijsverkrijgingsbevel ter verkrijging van voorwerpen, documenten en gegevens voor gebruik in strafprocedures (PbEU L 350) (Stb. 2013, 10)

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 juli 2013.
 

Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.