Stb. 2013, 444 Bestrijding mensenhandel

Wet van 06-11-2013, Stb. 2013, 444 en Inwerkingtredingsbesluit van 06-11-2013, Stb. 2013, 445 

Wet tot implementatie van de richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU L 101)

—De implementatie van de richtlijn leidt tot enkele aanscherpingen van de Nederlandse strafwetgeving ter zake van mensenhandel. Voor de inhoud van de richtlijn is in het bijzonder van belang het op 16 mei 2005 te Warschau tot stand gekomen Verdrag van de Raad van Europa inzake de bestrijding van mensenhandel (Trb. 2006, 99). De richtlijn is inhoudelijk sterk geïnspireerd op dat verdrag. De Commissie heeft met de richtlijn primair beoogd het beschermingsniveau binnen de Europese Unie in overeenstemming te brengen met de kernresultaten die in het kader van het verdrag zijn bereikt. De richtlijn is primair een strafrechtelijk instrument, maar gaat evenals het verdrag van de Raad van Europa uit van een integrale aanpak van mensenhandel. Dat betekent dat er ook aandacht is geschonken aan preventie en de positie van slachtoffers. In het kort houdt de richtlijn het volgende in. De kern van de richtlijn wordt gevormd door bepalingen van materieel strafrechtelijke aard:

  • de delictsomschrijving (artikel 2);
  • strafbare deelnemingsvormen (artikel 3);
  • sancties en strafverzwarende omstandigheden (artikel 4);
  • aansprakelijkheid van rechtspersonen (artikelen 5 en 6);
  • niet-vervolging of bestraffing van slachtoffers van mensenhandel (artikel 8);
  • verjaring (artikel 9, tweede lid) en rechtsmacht (artikel 10).

De richtlijn omvat daarnaast ook bepalingen van strafvorderlijke aard zoals:

  • bevoegdheden tot inbeslagneming en confiscatie (artikel 7);
  • vervolging en opsporingsbevoegdheden (artikel 9).

Voorts zijn er bepalingen die zich richten op de bescherming van en bijstand aan slachtoffers, in het bijzonder ten aanzien van hun positie als getuige in het strafproces (artikelen 11, 12 en 17). Bijzondere aandacht gaat daarbij uit naar de bescherming van kinderen die het slachtoffer worden van mensenhandel (artikelen 13, 14 en 15), met inbegrip van specifieke maatregelen ter bescherming van alleenstaande minderjarige slachtoffers van mensenhandel (artikel 16).
Ook dienen lidstaten op grond van de richtlijn een aantal preventieve maatregelen te nemen (artikel 18). Ten slotte verplicht de richtlijn tot de monitoring van relevante ontwikkelingen door instelling van een nationaal rapporteur of vergelijkbaar mechanisme en het faciliteren van coördinatie van beleid op Europees niveau (artikelen 19 en 20).

Aangezien Nederland zich reeds heeft verbonden aan de verplichtingen die uit de hierboven beschreven internationale rechtsinstrumenten voortvloeien, zijn de legislatieve gevolgen van de richtlijn beperkt. Wat de materiële inhoud betreft is het van belang dat de richtlijn de omschrijving van uitbuiting uitbreidt tot uitbuiting van gedwongen bedelarij en van criminele activiteiten (artikel 2, derde lid).
Voorts is in de richtlijn een strafverzwaringsgrond opgenomen voor mensenhandel gepleegd tegen een bijzonder kwetsbaar slachtoffer, waaronder volgens de richtlijn ten minste kinderen (iedere persoon beneden de leeftijd van achttien jaar) moeten worden verstaan (artikel 4, tweede lid). In het kaderbesluit was deze strafverzwarende omstandigheid nog beperkt tot personen die de leeftijd voor seksuele meerderjarigheid nog niet hebben bereikt (in de Nederlandse strafwetgeving is die leeftijd op zestien jaar gesteld).

Ook gaat de richtlijn verder in de verplichting tot vestiging van extraterritoriale rechtsmacht. Waar in andere internationale rechtsinstrumenten de vestiging van rechtsmacht voor mensenhandel gepleegd buiten het eigen land door een onderdaan nog aan bepaalde voorwaarden kon worden verbonden, verplicht de richtlijn tot vestiging van ongeclausuleerde rechtsmacht over mensenhandel gepleegd door onderdanen (artikel 10). Tenslotte zijn in vergelijking met het kaderbesluit de strafniveaus voor mensenhandel in de richtlijn aangescherpt (artikel 4). Zoals te doen gebruikelijk in EU-instrumenten van strafrechtelijke aard wordt ter zake de harmonisatie van straffen in de richtlijn gebruik gemaakt van de systematiek van minimum maximumstraffen. Een voorstel tot verhoging van de strafmaxima in artikel 273f Sr is al opgenomen in de wet Partiële wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de aanpassing van het materieel strafrecht aan recente ontwikkelingen (Wet van 28-02-2013, Stb. 2013, 84). Als gevolg van deze wet is het strafmaximum voor het gronddelict mensenhandel op twaalf jaren gevangenisstraf gesteld, oplopend tot levenslange gevangenisstraf voor mensenhandel gepleegd onder de meest ernstige strafverzwarende omstandigheden (dodelijke afloop). Bij Nota van Wijziging is (Kamerstukken II, 33 309, nr. 7) zijn bepalingen vastgesteld, die kunnen worden aangehaald als Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (artikel IIIA) die ertoe strekken de positie van de Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen wettelijk te verankeren. Voor de inhoud van de bepalingen in de Wet Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen is aangesloten bij de Regeling instelling Nationaal rapporteur mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen 2012, die met deze wet wordt ingetrokken (Artikel IIIB). Dit betekent dat de Nationaal rapporteur ten behoeve van het onderzoek geen bijzondere wettelijke bevoegdheden krijgt toegekend. Wel dienen door de rapporteur benaderde organen en instellingen alle medewerking te verlenen bij het beschikbaar stellen c.q. verkrijgen van de benodigde gegevens. De Nationaal rapporteur en het bureau zijn tevens gemachtigd om inzage te krijgen in politiedossiers en hebben toegang tot dossiers van het openbaar ministerie (ook in lopende zaken). Er wordt gewerkt aan nadere afspraken met de sector Jeugdzorg ten behoeve van de inzage in de dossiers en archieven van jeugdzorginstellingen.

De wet treedt in werking met ingang van 15 november 2013.
 

Kamerstukken

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.