Zeilen tegen de wind

Als kind lag ik in de zomer vaak op de voorsteven van de zeilboot waarmee we voor de Finse scherenkust zeilden, op de uitkijk naar stenen die plotseling voor de boeg in het heldere water konden opdoemen. Toen heb ik geleerd dat ‘stop’ roepen niet helpt. Boten en zeker zeilboten stoppen niet zomaar en er is een vooruitziende blik – en stuurmanskunst – nodig om stenen te ontwijken.

Zeilen heeft wel wat gemeen met het leven, het vinden van evenwicht tussen de elementen. Dat geldt ook voor het systeem van de rechtspraak in verhouding tot de andere machten en krachten binnen een democratische samenleving. Voor de rechtsprekende macht is het al een tijdje zeilen tegen de wind. Waren het voorheen nog briesjes, zoals het wetsvoorstel waarmee minimumstraffen dreigden te worden ingevoerd. Het op 27 november 2013 ingediende wetsvoorstel van Taverne (VVD) om wetten in formele zin uit te zonderen van de in art. 94 Gw opgenomen rechterlijke toetsing is serieuzere koek. Dit voorstel raakt het concept van machtenscheiding en rechtsbescherming. Het argument dat voor de grondwetswijziging wordt aangedragen is  ‘de volksvertegenwoordiging ertoe aan te zetten om haar wetten zelf uitvoeriger op verenigbaarheid met bepalingen van internationaal recht te beoordelen, en deze beoordeling niet grotendeels over te laten aan de rechter.’

Zowel de Raad van State als de Raad voor de rechtspraak hebben zich in hun adviezen afgevraagd waarom het hiervoor nodig is de rechterlijke toetsing af te schaffen. Die staat toch niet in de weg aan meer inspanningen van het parlement om verdragsconforme wetgeving af te leveren? Uit de reactie van de initiatiefnemer blijkt dat het daarom eigenlijk ook niet gaat.1 De pijn zit hem in de vermeende tendens2 dat niet alleen de Nederlandse rechter maar ook het EHRM, de reikwijdte van verdragsbepalingen steeds verder zouden oprekken. Een doorn in het oog is daarbij de dynamische interpretatie van verdragsbepalingen met uitkomsten die afwijken van hetgeen de volksvertegenwoordiging ten tijde van de goedkeuring van desbetreffend verdrag voor ogen zou hebben gestaan. Als voorbeelden worden genoemd de uitspraak waarbij art. 7 sub c van het VN Vrouwenverdrag rechtstreekse werking werd toegekend in de SGP-zaak over de mogelijkheid van vrouwen om zich verkiesbaar te stellen, waarmee de staatsrechtelijke verhoudingen op scherp zouden zijn gesteld. Ook wordt gerefereerd aan de uitspraak van het EHRM in de zaak Vinter, waarin artikel 3 EVRM zo wordt uitgelegd, dat een levenslange gevangenisstraf zonder uitzicht op een vervroegde invrijheidsstelling in strijd is met het verdrag. Deze uitspraak zou ertoe kunnen leiden dat de kans bestaat dat Nederland (daartoe door een rechterlijke uitspraak gedwongen) ook een dergelijke invrijheidsstellingsprodedure moet invoeren. Dat kan volgens de initiatiefnemer toch niet zonder discussie over de noodzaak van een dergelijke procedure in het parlement? Alsof een dergelijke discussie niet gewoon nu al gevoerd zou kunnen - en zelfs moeten - worden, voordat de rechter zich genoodzaakt ziet daarin in een voorkomende zaak een beslissing te nemen, maar goed. De slotsom is volgens Taverne dat de rechter zich de laatste jaren te weinig bewust is van zijn positie binnen de rechtsstaat en zich teveel begeeft in politiek vaarwater. Omdat ‘dergelijke uitspraken de autoriteit van rechters en het draagvlak van burgers voor het EHRM kunnen ondermijnen’ moet ‘meer ruimte worden gelaten aan de democratisch gelegitimeerde wetgever’.

Verwacht wordt dat deze wijziging van de Grondwet het, gezien de zware procedure en de kritische kanttekeningen die toch wel de overhand hebben, niet zal halen. Diezelfde twijfel bestaat overigens ten aanzien van het initiatiefwetsvoorstel-Halsema, dat juist rechterlijke toetsing van wetten aan de klassieke grondrechten mogelijk wil maken. Zorgelijker is dat de pogingen om rechterlijke toetsing aan mensenrechtenverdragen terug te dringen, waarvan het wetsvoorstel van Taverne een illustratief voorbeeld is, in de context moet worden gezien van een algeheel gebrek aan voeling met rechtsbescherming zowel bij de regering als in parlementaire kringen. Dit geldt de ZSM-afdoening van eenvoudige strafzaken op het politiebureau, waar tot nu toe geen advocaat of rechter meer aan te pas komt. Ook het snijden in de gefinancierde rechtsbijstand, waarvan de ingrijpende gevolgen voor de toegang van de burger tot de rechter verderop in dit nummer worden geschetst, is er een voorbeeld van. Dat de rechter op grond van art. 120 Gw geen wetten mag toetsen aan de grondwet is nog tot daar aan toe. Als het tegenwicht daarvan in de vorm van het toetsingsrecht in art. 94 Gw komt te vervallen, dan zouden formele wetten compleet immuun worden voor rechterlijke controle. Dat levert op zich al spanning op met artikel 13 EVRM op grond waarvan eenieder die meent dat zijn grondrechten zijn geschonden, een effectief rechtsmiddel moet toekomen. De laconieke opmerking van Taverne in zijn reactie op het advies van de Raad van State, dat dat een risico is dat hij neemt en dat de wijziging die hij voorstelt zwaarder moet wegen dan het belang om artikel 13 EVRM te garanderen op de wijze waarop dat nu gebeurt, is tekenend.

Deze kwestie raakt de fundamenten van ons rechtssysteem. Het komt nu aan op de stuurmanskunst van het parlement en regering om koers te houden in deze woelige wateren. En het besef dat de rechter een onmisbare schakel is in de rechtsbescherming van de burger. Zonder iemand op de voorsteven is het moeilijk stenen te ontwijken.


Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/2558, afl. 44, p. 3059.

Bron afbeelding: Michael Matti

1. Kamerstukken II 2013/14, 33 359 (R 1986), nr. 4,  Advies van de Raad van State en reactie van de initiatiefnemer.
2. Wetenschappelijk onderzoek laat trouwens steevast zien dat de rechter en ook het EHRM juist heel terughoudend zijn.



Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 9 december 2013

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Reinier Bakels schreef op :
Het is nog veel erger dan professor Spronken schrijft: de VVD is op de populistische toer en vindt dat rechters (zeker in Straatsburg) zich gedagen als "politici in toga" door de échte politici voor de voeten te lopen als die beslissingen willen nemen waar Het Gezonde Volkesgevoel om vraagt (een gevoel waar in het verleden vooral dubieuze regimes zich op beriepen). Hoewel er academische juristen zijn die uzlke opvattingen stuenen (in Leiden met name) geeft een dergelijke opvatting blijk van een totaal gebrek aan besef van de rol van grondrechten in een staatsbestel: die zijn juist bedoeld om de regering in toom te houden, in het (historische) besef dat een democratie een volksvertegenwoordiging er helaas niet altijd aanvaardbare belissingen neemt.

De rechtsstaat staat hoog in het vaandel bij populistische partijen, maar dan bedoelen ze met dat woord een staat waarin het recht streng wordt gehandhaafd. En ze miskennen dat "rechtsstaat"eigenlijk een staat betekent waar de machten gescheiden zijn en elkaar controleren.

Wellicht laten mensen als Taverne zich inspireren door de Britten, die nog minder een grondrechtentraditie hebben. We zouden ons beter kunnen spiegelen aan de Amerikanen of de Duitsers, waar uitspraken van de (constitutionele) rechters in grondrechtenaangelegenheden volstrekt serieus worden genomen.

Interessant is de opvatting van het Parlamentsvorbehalt van het Bundesverfassugsgericht, wat inhoudt dat zij wel wetten (ook in abstracto) kunnen afkeuren, maar het aan het parlement overlaten zo nodig met een betere wet te komen, in het besef dat zij niet democratisch gelegitimeerd zijn.

De gedachte dat niet de rechter maar de wetgever aan grondrechten moet toetsen is trouwens aanwijsbaar onzinnig. Zo verzet ons strafrecht zich volstrekt niet tegen een tijdige veroordeling van verdachten, maar dat oet als nom wel op art. 6 EVRM woden gebaseerd. Of wil Taverne naar een "duaal" systeem waarin alle verdragen waar wij partij bij zijn in wetten worden omgezet? Wilde de VVD niet een kleinere overheid?

Intussen hoop ik dat professor Spronken in haar beide hoedanigheden aan iedereen die het wil horen De Juridische Methode uitlegt, d.w.z. dat rechters niet op basis van hun privé-overtuiting beslissen, maar op basis van het Geldend Recht.

Het beste bewijs daarvoor is dat rechters menigmaal de politici teleurstellen die hen benoemden, zelfs in de V.S., waar het Federale Hooggerechtshof niet zelden erg politieke knopen moet doorhakken. De onservatieve katholieke latere Bondspresident ROman Herzog besliste als rechter bij het Constitutionele Hof vaak - voor leken - onverwachr progressief was.

Helaas zijn po[pulisten niet geïnteresseerd in raionele argumenten. De onderbuik regeert!
a.zecha schreef op :
De gebruikmaking van verbale omdraaiingen t.a.v. bestaande normen en waarden is bij fundamentalistische denkenden, strevers en doeners m.i. (historisch bezien) een instrument om er hun doelen mee te bereiken. Wet- en regelgeving is een meer robuust instrument.
“Oplettende lezertjes” van de schrijvende media en “oplettende kijkertjes en oortjes” van de TV kunnen m.i. de richting, waarin de partij vertegenwoordigers in de Staten Generaal en regering zich langzaam doch gestaag bewegen, vaststellen.
Het wetsvoorstel van Taverne (VVD) is daar een illustratie van.

In 2011 kon door een voordracht met de titel “De krakende pijlers van onze democratie” in het Montesquieu Instituut m.i. de indruk ontstaan dat de “trias politica” van Montesquieu voor onze democratie de langste tijd heeft gehad (http://www.montesquieu-instituut.nl/9353000/1/j4 … ).
Een artikel in het NJB in 2012 (http://njblog.nl/2012/01/20/unitas-politica/ ) bevestigde in feite dat de trias politica in onze democratie (reeds lang?) niet meer bestaat.

Vermits m.i. de rechtsbescherming van individuele burgers onder druk staat (ten opzichte van de rechtsbescherming van de uitvoerende macht en de machtigen van de liberale markt) geraakt onze democratie m.i. stilaan gereduceerd tot meerderheden van partij vertegenwoordigers die linksom en rechtsom hun (partij) belangen en die van de vrije markt deelnemers voorop lijken(?) te stellen.
Het wetsvoorstel van Taverne (VVD) is daar een illustratie van.

Zeer positief is m.i. dat deskundigen hun onafhankelijke genuanceerde kritische visie op de ontwikkelingen in onze rechtsstaat op schrift stellen en onderwerp van vrije meningsvorming maken.
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.