Voorlichting over afnemen en bewaren celmateriaal van verdachten

Geschreven door: Redactie op

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op verzoek van de minister van Veiligheid en Justitie voorlichting gegeven over het afnemen van celmateriaal van alle verdachten die in verzekering zijn gesteld en het bewaren daarvan met het oog op hun eventuele veroordeling. De minister heeft de voorlichting op 29 november 2016 openbaar gemaakt.

Achtergrond voorlichtingsverzoek

Aanleiding voor het verzoek om voorlichting is het rapport van de commissie Hoekstra over de strafrechtelijke beslissingen in de zaak-Bart van U., verdachte in het onderzoek naar de moord op mevrouw Els Borst. De commissie constateert in haar rapport dat een deel van de veroordeelden geen gehoor geeft aan de oproep op grond van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden om zich te melden en celmateriaal af te staan. De commissie Hoekstra stelt daarom een wettelijke maatregel voor om van iedere verdachte die in verzekering wordt gesteld, celmateriaal af te nemen en te bewaren. Op het moment dat betrokkene wordt veroordeeld, wordt dan uit zijn celmateriaal DNA bepaald en verwerkt. De commissie Hoekstra acht deze wettelijke maatregel niet in strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM), dat een ieder het recht geeft op bescherming van zijn privéleven. Daarentegen concludeert de commissie Mevis - die in opdracht van de minister onderzoek deed naar de juridische houdbaarheid van deze maatregel - dat de maatregel waarschijnlijk wèl in strijd is met artikel 8 EVRM, omdat zij niet noodzakelijk is in een democratische samenleving.

Voorlichtingsvragen

De minister heeft de Afdeling advisering de volgende vragen voorgelegd:

1. In hoeverre is het standaard afnemen en bewaren van celmateriaal bij iedere in verzekering gestelde verdachte voorafgaand aan zijn eventuele veroordeling juridisch houdbaar?

2. Is het een begaanbare weg om een wettelijke regeling te creëren die het mogelijk maakt dat bij alle in verzekering gestelde verdachten zonder bekend adres of met een buitenlands adres celmateriaal wordt afgenomen?

Beantwoording voorlichtingsvragen

Eerste vraag:
De Afdeling advisering is van oordeel dat het standaard afnemen en bewaren van celmateriaal van elke in verzekering gestelde verdachte niet 'noodzakelijk is in een democratische samenleving' als bedoeld in artikel 8 EVRM. De dringende maatschappelijke behoefte aan zo'n maatregel is nog onvoldoende aangetoond, terwijl de voorgestelde maatregel ook niet proportioneel is met het oog op het te bereiken doel. Daarbij speelt met name een rol dat:

- het afnemen en het bewaren van celmateriaal op grond van rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens moet worden beschouwd als een substantiële inbreuk op het privéleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. De toekomstige gebruiksmogelijkheden van eenmaal afgenomen celmateriaal zijn immers, mede gelet op de gevoelige aard van de daarin besloten liggende informatie, potentieel aanzienlijk;

- de aanbeveling van de commissie Hoekstra in de eerste plaats voortvloeit uit gesignaleerde uitvoeringsproblemen in de huidige praktijk. Op dit moment is onduidelijk in hoeverre de wettelijke maatregel nog zodanige toegevoegde waarde heeft dat die voldoet aan artikel 8 EVRM als de uitvoeringsproblemen tot aanvaardbare proporties zijn teruggebracht, mede gelet op de uitvoeringsproblemen die een nieuwe maatregel met zich meebrengt;

- de voorgestelde maatregel, zonder dat in concrete gevallen een nadere afweging wordt gemaakt, betrekking heeft op een ongedifferentieerde groep van personen (alle inverzekeringgestelden) waarbij de combinatie met de onzekerheid of het na de inverzekeringstelling wel tot een veroordeling zal komen, de maatregel met het oog op de proportionaliteit kwetsbaar maakt;

- het standaard afnemen van celmateriaal zonder de bestaande uitzonderingen op grond van de huidige Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, op gespannen voet staat met de eis dat een inbreuk proportioneel is. De bestaande uitzonderingen zijn immers met het oog op artikel 8 EVRM opgenomen.

Tweede vraag:
Volgens de Afdeling advisering kent een wettelijke regeling die het mogelijk maakt dat bij alle inverzekeringgestelden zonder bekend adres of met een buitenlands adres celmateriaal wordt afgenomen, minder bezwaren. Deze optie sluit beter aan bij de proportionaliteitseis als onderdeel van artikel 8 EVRM, omdat de maatregel slechts betrekking heeft op verdachten zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, die met het oog op afname van celmateriaal niet of moeilijk kunnen worden opgespoord.
 

Lees hier de volledige tekst van de voorlichting van de Afdeling advisering.


Bron: www.raadvanstate.nl

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 5 december 2016

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.