Toepassing opsporingsbevoegdheden en dwangmiddelen bij journalisten

Geschreven door: Redactie op

In de Staatscourant is een aanwijzing gepubliceerd die de normen beschrijft die het OM per 1 oktober in acht moet nemen bij het toepassen van dwangmiddelen en opsporingsbevoegdheden bij journalisten of publicisten. Voorop staat dat het in beginsel ongeoorloofd is om tegen een journalist dwangmiddelen in te zetten om de identiteit van een bron te achterhalen. Dat geldt ook als het dwangmiddel niet wordt ingezet om de identiteit van de bron te achterhalen, maar wel voorzienbaar is dat bronbescherming in het geding komt.


Voorop staat dat het in beginsel ongeoorloofd is om tegen een journalist dwangmiddelen in te zetten om de identiteit van een bron te achterhalen. Indien uitzonderlijke omstandigheden de inzet van het dwangmiddel noodzakelijk maken, dan is vereist dat de hoofdofficier van justitie heeft ingestemd met toepassing van het dwangmiddel in het concrete geval en dat het College van procureurs-generaal tevoren in kennis is gesteld.
De aanwijzing schetst het juridisch kader van de journalistieke bronbescherming, geeft de reikwijdte van de begrippen ‘journalist’ en ‘bronbescherming’, gaat in op de uiteenlopende situaties waarin journalistieke bronbescherming aan de orde kan zijn en besteedt aandacht aan een aantal specifieke dwangmiddelen.

Verschoning

Met ingang van 1 oktober 2018 geldt op grond van art. 218a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) dat journalisten en publicisten zich kunnen verschonen van het beantwoorden van vragen over de identiteit van een bron en dat een inbreuk op dit recht alleen mogelijk is indien bij het onbeantwoord blijven van deze vragen een onevenredig grote schade zou worden toegebracht aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang.

Dwangmiddelen

Sedert de wetswijziging van 1 oktober 2018 is bij de toepassing van de dwangmiddelen genoemd in artt. 126n, 126nd, 126u, 126ud en 126nda Sv een toetsing door de rechter-commissaris aan het criterium van art. 218a Sv vereist indien de vordering betrekking heeft op een journalist. Een inbreuk op het recht op bron-bescherming is mogelijk wanneer openbaring van de bron in een democratische samenleving noodzakelijk is met het oog op een of meer van de in artikel 10, lid 2 EVRM genoemde belangen. In de formulering van art. 218a Sv is een inbreuk alleen mogelijk indien bij het onbeantwoord blijven van vragen over de identiteit van een bron een onevenredig grote schade zou worden toegebracht aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang.
Daarenboven geldt dat een dergelijke inbreuk slechts is toegestaan onder de voorwaarde dat daaraan een zorgvuldige belangenafweging door bevoegde justitiële autoriteiten vooraf is gegaan. De vereisten van rechtmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid zijn hierbij leidend. Overschrijding van de grenzen kan een verzuim opleveren in de zin van artikel 359a Sv en kan dus (rechts)gevolgen hebben.
Het recht op journalistieke bron­bescherming komt toe aan professionals, natuurlijke personen of rechtspersonen, werkend of publicerend in de media. Daartoe kunnen, behalve journalisten en publicisten, ook fotografen, cameramensen, cartoonisten, schrijvers, programmamakers, bloggers en vloggers worden gerekend.
Een afgeleide bescherming komt toe aan degenen die voorafgaand aan publicatie de betreffende informatie verzamelen, opslaan of bewerken, zoals documentalisten, bureauredacteuren en secretariaatsmedewerkers.


Bron

Niet iedereen die informatie aan een journalist verstrekt, kan worden aangemerkt als bron. Het moet gaan om iemand die uit vrije wil en doelbewust informatie aan een journalist verstrekt met het oogmerk om het publiek te informeren over zaken die betrekking hebben op het algemeen belang of het belang van anderen.

Ernstige feiten

Aan toepassing van dwangmiddelen bij journalisten met doorbreking van bronbescherming kan worden gedacht bij ernstige feiten waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaar of meer is gesteld en waarbij de noodzakelijke gegevens niet op een andere wijze kunnen worden verkregen.
Wanneer het in het kader van een strafrechtelijk onderzoek nodig is om te beschikken over journalistiek materiaal, inclusief foto’s of audio- en video-opnames dan vordert de officier van justitie een bevel tot uitlevering ter inbeslagneming ex art. 105 Sv bij de rechter-commissaris. De procedures van art. 96 e.v. Sv zijn dus uitdrukkelijk geen optie.
Wanneer op voorhand duidelijk is dat journalistiek beeldmateriaal tot stand is gekomen zonder dat een journalistieke bron in het geding is, is bronbescherming niet aan de orde en kan de procedure via de rechter-commissaris achterwege blijven.

Bijvangst

Het is mogelijk dat een journalist in beeld komt door de inzet van opsporingsbevoegdheden tegen een ander. In een dergelijk geval is er in beginsel geen sprake van een ongeoorloofde doorbreking van het recht op bronbescherming en gelden dus de normale regels voor de inzet van dwangmiddelen.

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 1 oktober 2018

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.