Staat mag verspreiding foto’s niet preventief beoordelen

Geschreven door: Redactie op

Op grond van artikel 7 lid 1 van de Grondwet heeft niemand voorafgaand verlof nodig om gedachten of gevoelens te openbaren. Beperkingen hierop mogen niet zo ver gaan dat de overheid verspreiding van foto’s preventief beoordeelt. Dit oordeelde het Gerechtshof Den Haag op 29 december 2015.

Eiser in deze zaak is een journalist die medewerking van de Staat vorderde aan door hem te maken opnames in detentiecentra voor vreemdelingenbewaring. De Staat wilde wel toestemming verlenen maar alleen als de journalist een overeenkomst ondertekende waarin werd vastgelegd dat het door hem te vervaardigen beeldmateriaal slechts eenmalig ten behoeve van een fotoreportage in Vrij Nederland zou worden gebruikt. In een procedure die hij bij de voorzieningenrechter aanspande om deze voorwaarde vernietigd te krijgen wegens ontoelaatbare schending van het recht op vrije nieuwsgaring ving hij bot. Vervolgens ondertekent hij de verklaring, maakt de reportage en tekent beroep aan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter. Bij het Gerechtshof Den Haag vindt hij vervolgens alsnog gehoor.


Vorderingen

De (primaire) vordering zoals deze is geformuleerd in de appeldagvaarding luidt:
‘(zal) bepalen dat fotograaf [appellant] zijn fotomateriaal voor de reportage van Vrij Nederland na publicatie in Vrij Nederland gedurende het tijdvak dat de bodemprocedure in beslag zal nemen zonder voorafgaande toestemming en redactionele inbreng van de Staat ter beschikking mag stellen voor publicatie aan media en NGO’s.’

[appellant] heeft deze vordering bij pleidooi aldus verduidelijkt, dat de vordering niet alleen betrekking heeft op de foto’s die in Vrij Nederland zijn gepubliceerd, maar ook op de foto’s die [appellant] met toestemming van de Staat voor de reportage in Vrij Nederland heeft gemaakt maar die niet in Vrij Nederland zijn gepubliceerd. Voorts heeft [appellant] op een vraag van het hof bevestigd dat zijn vordering er in wezen toe strekt dat het hof de Staat zal veroordelen te gedogen, dat [appellant] deze foto’s voor publicatie aan media en NGO’s ter beschikking stelt.
Bij ‘akte verandering/vermeerdering van eis’ is de vordering van [appellant] aldus uitgebreid, dat [appellant] subsidiair vordert dat het hof:
‘(zal) bepalen bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad dat [appellant] zijn foto’s mag aanbieden ter plaatsing op de databank van Hollandse Hoogte, waar deze foto’s ter publicatie worden aangeboden op de gebruikelijke door Hollandse Hoogte te bepalen voorwaarden.’

De grieven komen er aldus het Hof op neer dat de beperkingen die aan [appellant] in de overeenkomst met de Staat zijn gesteld aan het gebruik van de door hem met toestemming van de Staat gemaakte foto’s, onverbindend zijn omdat deze in strijd zijn (onder meer) met artikel 7 Grondwet en artikel 10 EVRM. De grieven slagen.


Artikel 7 Grondwet

In r.o. 2.3 overweegt het Hof dat artikel 7 lid 1 Grondwet bepaalt dat niemand voorafgaand verlof nodig heeft om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Dit betekent niet alleen dat het [appellant] vrij staat zijn gedachten of gevoelens in de door hem gemaakte foto’s vast te leggen, maar tevens dat hij het recht heeft deze foto’s te publiceren en te verspreiden. Weliswaar mogen aan de verspreiding van de foto’s ook buiten de formele wetgever om beperkingen worden gesteld, maar deze mogen in geen geval zo ver gaan dat de overheid de verspreiding van de foto’s in het algemeen verbiedt of de inhoud ervan preventief beoordeelt. Dit laatste ligt wel besloten in de door de Staat en [appellant] gesloten overeenkomst. Immers, door de verspreiding afhankelijk te stellen van een door de overheid te verlenen toestemming, welke al dan niet zal worden verleend aan de hand van de – door de overheid te beantwoorden – vraag (a) aan welke derde(n) de foto’s worden verstrekt, (b) welk medium de foto’s zal publiceren en (c) of de onderschriften bij de foto’s of de duidende tekst al dan niet feitelijke onjuistheden bevatten, is de publicatie afhankelijk gesteld van een voorafgaand verlof wegens de inhoud. Overigens bevat de overeenkomst geen enkele indicatie aan de hand van welke maatstaf de Staat de onder (a) en (b) aangeduide vraag moet beoordelen. Voorts verliest de Staat uit het oog dat over de vraag of een onderschrift of duidende tekst ‘feitelijke onjuistheden’ bevat verschil van mening mogelijk is en dat dus de toets op feitelijke onjuistheden wel degelijk een, door artikel 7 Grondwet verboden, bemoeienis met de inhoud van de publicaties inhoudt. De omstandigheid dat [appellant] heeft ingestemd met de gewraakte bepalingen door deze overeenkomst met de Staat af te sluiten maakt dat niet anders. Door middel van een privaatrechtelijke overeenkomst kunnen de rechten die een burger kan ontlenen aan artikel 7 Grondwet niet worden ingeperkt.

De verdediging van de Staat dat [appellant] een ‘louter commercieel’ belang heeft bij verdere openbaarmaking van de foto’s en dat dit niet een belang is dat door artikel 7 Grondwet wordt beschermd is onjuist, want artikel 7 Grondwet kent op dit punt geen uitzondering. Een andere lezing zou bovendien tot het onaannemelijke en onaanvaardbare resultaat leiden dat de enkele omstandigheid dat een journalist voor zijn werkzaamheden wordt gehonoreerd betekent dat hij niet onder de bescherming van artikel 7 Grondwet zou vallen (r.o. 2.5).


Artikel 10 EVRM

Beoordeling van de vordering van [appellant] aan de hand van artikel 10 EVRM leidt niet tot een andere uitkomst. In de eerste plaats is een beperking van de vrijheid van meningsuiting ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM slechts toegestaan als deze bij wet is voorzien. Van een dergelijke wet, waaronder ook moet worden verstaan regelgeving niet zijnde een formele wet, is in dit geval niet gebleken. De Staat heeft aangevoerd dat de beperking is gebaseerd op artikel 3 lid 3 van de Penitentiaire beginselenwet, waarin is bepaald dat het beheer van een inrichting of afdeling berust bij de directeur, die als zodanig door de minister is aangewezen. Dit betoog faalt. Weliswaar kan de directeur van een penitentiaire inrichting op grond van deze bepaling aan de toegang van een journalist tot de penitentiaire inrichting beperkingen opleggen, bijvoorbeeld in verband met de rust en de veiligheid binnen de inrichting, maar uit niets blijkt dat deze bepaling de directeur (of de Staat) de bevoegdheid verleent om de verspreiding buiten de inrichting van het daarbinnen door de journalist verzamelde materiaal (vooraf) te beperken. Ook indien dit laatste anders mocht zijn, voldoet deze bepaling in ieder geval niet aan de eis dat daaruit op voor de burger voorzienbare wijze blijkt in welke gevallen een preventieve beperking op de vrijheid van meningsuiting toelaatbaar is, wat deze maatregelen kunnen inhouden en hoelang deze mogen duren. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat indien het, zoals in dit geval, gaat om voorafgaande beperkingen, aan de voorzienbaarheid extra hoge eisen moeten worden gesteld. Het beroep van de Staat op de uitzondering voorzien in artikel 10 lid 2 EVRM wordt reeds op deze grond verworpen (r.o. 3.1).

Daar komt nog bij dat de Staat niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aan [appellant] opgelegde beperkingen dienstbaar kunnen zijn aan één van de in artikel 10 lid 2 EVRM genoemde doelen én dat voor die beperking een ‘pressing social need’ bestaat. De Staat beroept zich er op dat hij dient te waken voor de rust en veiligheid binnen detentiecentra, de privacy van bewoners en de feitelijke juistheid van de door de media over de detentiecentra te verschaffen informatie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is echter niet duidelijk waarom door de verspreiding of publicatie van de door [appellant] gemaakte foto’s, waarop geen bewoners of medewerkers zijn afgebeeld, de privacy in het geding zou zijn of waarom daardoor de rust en de veiligheid binnen de detentiecentra zou kunnen worden verstoord. Het door de Staat bij pleidooi naar voren gebrachte voorbeeld, dat opruiende bijschriften bij de foto’s tot onrust bij de gedetineerden zouden kunnen leiden, leidt niet tot een andere conclusie. Uit niets blijkt dat het hierbij om iets anders dan een theoretische situatie gaat, waarvan op geen enkele wijze aannemelijk is gemaakt dat deze zich daadwerkelijk zal voordoen indien de foto’s van [appellant] verder worden verspreid. Een dergelijke theoretische mogelijkheid is onvoldoende om een inbreuk op artikel 10 lid 1 EVRM te kunnen rechtvaardigen (r.0. 3.2).

De conclusie is dan ook dat de aan [appellant] opgelegde beperkingen eveneens in strijd zijn met artikel 10 EVRM (r.o. 3.3).

 
ECLI:NL:GHDHA:2015:3545

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 11 januari 2016

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.