Schuldig, maar geen straf

De rechtbank Oost Brabant vindt twee Tilburgers schuldig aan overtreding van de Opiumwet, maar legt geen straf of maatregel op. De mannen zorgden voor de bevoorrading van de Bossche coffeeshops The Grass Company en Pistache.

 

Beide mannen waren in dienst van een bedrijf dat de bevoorrading van beide coffeeshops verzorgde. Eén van de mannen huurde een bedrijfspand in ’s-Hertogenbosch. Bij een inval in dat pand werden een grote hoeveelheid hasj- en hennepproducten en gereed gemaakte joints aangetroffen. De officier van justitie had geldboetes geëist van € 50.000 respectievelijk € 10.000 en voorwaardelijke gevangenisstraffen van 12 respectievelijk 4 maanden.

 

Paradox

De rechtbank stelt vast dat beide coffeeshops ieder zo’n 1200 klanten per dag hebben. Aannemend dat een klant gemiddeld twee gram softdrugs per keer koopt, bedraagt de dagelijkse omzet in softdrugs van beide shops minimaal 4800 gram. Hieruit maakt de rechtbank op dat de voorraad die in de coffeeshops gedoogd werd, met toepassing van het 500-gram criterium, niet toereikend was voor de dagelijkse exploitatie. Voorts kan uit deze berekening worden opgemaakt dat de hoeveelheid die in beslag is genomen de voorraad was voor ongeveer twee dagen. Deze hoeveelheid komt de rechtbank niet als onredelijk of extreem voor. Hier doet zich aldus de rechtbank de paradoxale situatie voor dat de exploitatie van een coffeeshop die zich aan de zogenaamde AHOJG-criteria houdt, zoals deze twee coffeeschops, gedoogd wordt, maar dat de bevoorrading, het aanhouden van een - voor een behoorlijke bedrijfsvoering evident noodzakelijke - voorraad en de aankoop van de verdovende middelen bij kwekers dan wel tussen- of groothandelaren onverminderd verboden zijn en even zovele strafbare feiten opleveren.

 

Uitspraak

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de slotsom dat de door verdachte gepleegde feiten rechtstreeks voortvloeien uit de exploitatie van de twee coffeeshops, terwijl het bij dat laatste om een in beginsel gedoogde activiteit gaat. Dat deze exploitatie noodzakelijkerwijs betekende dat verdachten een strafbaar feit pleegden door een externe bedrijfsvoorraad aan te houden kleurt de feiten in hoge mate in. Zolang het openbaar ministerie ervoor kiest om zaken waarin de achterdeurproblematiek speelt aan de rechter voor te leggen zal deze een beslissing op de hem voorgelegde feiten dienen te geven. Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat wat verdachte verweten wordt, in feite onderdeel vormt van een op economisch verantwoorde wijze (mede) exploiteren van twee coffeeshops van enige omvang, is zij van oordeel dat met de constatering dat dit strafbare feiten zijn en verdachten daarvoor strafbaar zijn, kan worden volstaan. Er wordt geen straf of maatregel opgelegd.

 

ECLI:NL:RBOBR:2013:5907

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.