HvJ EU over opslag vingerafdrukken in paspoorten en identiteitskaarten

Geschreven door: Redactie op

Op 16 april 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie de prejudiciële vragen beantwoord die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in september 2012 aan het Hof heeft gesteld in het kader van vier geschillen over de opslag van vingerafdrukken in paspoorten en identiteitskaarten.

De zaken handelden over de weigering van de burgemeesters van Den Haag, Nuth, Skarsterlân en Amsterdam om aanvragen voor een paspoort of identiteitskaart in behandeling te nemen, omdat de aanvragers weigerden de daarvoor verlangde vingerafdrukken af te geven. De Afdeling bestuursrechtspraak wilde weten of de Europese verordening, die lidstaten van de Europese Unie verplicht tot het opnemen van vingerafdrukken in paspoorten en reisdocumenten, ook geldt voor identiteitskaarten, ongeacht hun geldigheidsduur en ongeacht de mogelijkheden om deze als reisdocument te gebruiken.  
Daarnaast wilde de Afdeling van het Hof in Luxemburg weten of moet worden gewaarborgd dat de vingerafdrukken niet voor andere doeleinden worden verzameld en gebruikt dan voor de afgifte van een paspoort of identiteitskaart.

Identiteitskaart

De vraag luidde of artikel 1, lid 3, van verordening nr. 2252/2004 aldus moet worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op door een lidstaat aan zijn onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de Nederlandse identiteitskaarten, ongeacht zowel de geldigheidsduur ervan als de mogelijkheid ze te gebruiken bij reizen buiten die staat. Hierop wordt ondubbelzinnig voor recht verklaard dat:
Artikel 1, lid 3, van verordening (EG) nr. 2252/2004 van de Raad van 13 december 2004 betreffende normen voor de veiligheidskenmerken van en biometrische gegevens in door de lidstaten afgegeven paspoorten en reisdocumenten, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 444/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009, moet aldus worden uitgelegd dat deze verordening niet van toepassing is op door een lidstaat aan zijn onderdanen afgegeven identiteitskaarten, zoals de Nederlandse identiteitskaarten, ongeacht zowel de geldigheidsduur ervan als de mogelijkheid ze te gebruiken bij reizen buiten die staat.

Opslag en doeleinden

Deze vraag luidde of artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2252/2004, gelezen in samenhang met de artikelen 6 en 7 van richtlijn 95/46 en met de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus moet worden uitgelegd dat de lidstaten op grond van deze bepaling dienen te waarborgen dat de op grond van deze verordening verzamelde en opgeslagen biometrische gegevens niet voor andere doeleinden zullen worden verzameld, verwerkt en gebruikt dan voor de afgifte van het paspoort of het reisdocument.
Naar aanleiding van deze vraag overweegt het Hof dat ‘ieder ander gebruik en iedere andere opslag [vallen] blijkens artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2252/2004 – dat enkel het gebruik van genoemde gegevens “voor de toepassing van deze verordening” betreft – gelezen in samenhang met punt 5 van de considerans van verordening nr. 444/2009, die verordening nr. 2252/2004 heeft gewijzigd, niet onder deze laatste verordening. In voormeld punt van de considerans wordt verklaard dat verordening nr. 2252/2004 ander gebruik of andere opslag van deze gegevens overeenkomstig de nationale wetgeving van de lidstaten onverlet laat, en dat zij niet voorziet in een rechtsgrondslag voor het opzetten of bijhouden van gegevensbanken voor de opslag van deze gegevens in de lidstaten, omdat dit aspect onder de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten valt (r.o. 47). Hieruit volgt onder meer dat verordening nr. 2252/2004 een lidstaat niet verplicht, wettelijk te waarborgen dat de biometrische gegevens door die staat niet zullen worden gebruikt en opgeslagen voor andere doeleinden dan die bedoeld in artikel 4, lid 3, van die verordening (zie in die zin arrest Schwarz, C-291/12, EU:C:2013:670, punt 61). (r.o. 48). Voor recht wordt dan ook verklaard dat:
Artikel 4, lid 3, van verordening nr. 2252/2004, zoals gewijzigd bij verordening nr. 444/2009, moet aldus worden uitgelegd dat de lidstaten op grond van deze bepaling niet wettelijk hoeven te waarborgen dat de op grond van deze verordening verzamelde en opgeslagen biometrische gegevens niet voor andere doeleinden zullen worden verzameld, verwerkt en gebruikt dan voor de afgifte van het paspoort of het reisdocument, daar dat aspect niet onder het toepassingsgebied van die verordening valt.
Nu het Hof van Justitie de prejudiciële vragen heeft beantwoord, zal de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling van de zaken voortzetten.

Vingerafdrukken

Sinds 2009 staat in de Nederlandse Paspoortwet dat voor het aanvragen van een paspoort of identiteitskaart vingerafdrukken moeten worden afgegeven. Sinds januari 2014 is het overigens al niet langer verplicht meer om vingerafdrukken af te geven bij de aanvraag van een identiteitskaart. Voor een paspoort hoeven sindsdien nog maar twee in plaats van vier vingerafdrukken afgegeven te worden.


Uitspraak Hof van Justitie EU van 16-04-2015 in de gevoegde zaken C-446/12 tot en met C-449/12

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 20 april 2015

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.