Hof van Justitie verduidelijkt regels inzake consumentenbescherming

Geschreven door: Redactie op

Het Hof van Justitie verduidelijkt de regels inzake consumentenbescherming met betrekking tot de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen. Manifesteert een gebrek aan overeenstemming zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van een goed, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van aflevering.

De Europese richtlijn betreffende bepaalde aspecten van consumentenovereenkomsten strekt tot bescherming van consumenten.1

Op 27 mei 2008 heeft Froukje Faber bij een autobedrijf een gebruikte auto gekocht. Op 26 september 2008 is het voertuig tijdens een rit in brand gevlogen en volledig uitgebrand. Het is door een sleepauto afgevoerd naar het verkopende autobedrijf en vervolgens op verzoek van dat autobedrijf naar een demontagebedrijf om het daar te laten bewaren. Anders dan het autobedrijf betoogt Faber dat partijen bij die gelegenheid de schade en de eventuele aansprakelijkheid van het autobedrijf hebben besproken. Bij brief van 11 mei 2009 heeft Faber het verkopende autobedrijf in gebreke gesteld. Er is geen technisch onderzoek naar de oorzaak van de brand aan het voertuig uitgevoerd, aangezien dat voertuig intussen was gedemonteerd.

Aangezien de verkoper zijn aansprakelijkheid betwist, heeft Faber een gerechtelijke procedure ingesteld. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (Nederland), dat in hoger beroep van de zaak kennis neemt, heeft het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht.

In zijn arrest van heden antwoordt het Hof bevestigend op de vraag of de nationale rechter verplicht is ambtshalve te onderzoeken of Faber in casu als een consument in de zin van richtlijn 1999/44 moet worden aangemerkt, ook al heeft zij zich niet op die hoedanigheid beroepen. Voor die conclusie maakt het geen verschil uit of de consument wordt bijgestaan door een advocaat.

In dezelfde gedachtegang bevestigt het Hof dat de nationale rechter artikel 5, lid 3, van de richtlijn in hoger beroep ambtshalve kan opwerpen. Dat artikel bepaalt dat indien een gebrek aan overeenstemming zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van de goederen manifesteert, tot bewijs van het tegendeel in beginsel het vermoeden geldt dat dit gebrek bestond op het tijdstip van aflevering. Gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de door die bepaling aan de consument geboden bescherming berust, moet die bepaling immers worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan een regel die in de interne rechtsorde als regel van openbare orde geldt.

De verwijzende rechter wenst te vernemen of het effectiviteitsbeginsel zich verzet tegen een nationale regel op grond waarvan de consument moet bewijzen dat hij de verkoper binnen bekwame tijd op de hoogte heeft gebracht van het gebrek aan overeenstemming. Naar Nederlands recht staat het immers in beginsel aan de consument om bij betwisting door de verkoper te bewijzen dat hij die verkoper binnen een termijn van twee maanden na de vaststelling van het gebrek aan overeenstemming van het geleverde goed op de hoogte heeft gebracht van dat gebrek.

Het Hof herinnert er in dit verband aan dat de lidstaten op grond van richtlijn 1999/442 kunnen bepalen dat de consument zijn rechten niet kan uitoefenen dan wanneer hij de verkoper binnen een termijn van twee maanden na de datum waarop hij het gebrek aan overeenstemming heeft vastgesteld, hiervan op de hoogte heeft gebracht. Volgens de voorstukken van de richtlijn beantwoordt die mogelijkheid aan de behoefte om de rechtszekerheid te versterken door de koper aan te zetten tot een „zekere waakzaamheid, terwijl [...] tegelijk de belangen van de verkoper in aanmerking [worden genomen]”, „zonder hem een strikte verplichting op te leggen tot een minutieus onderzoek van het goed”.

Het Hof zet uiteen dat de aan de consument opgelegde verplichting niet verder gaat dan de verplichting om de verkoper op de hoogte te brengen van het bestaan van een gebrek aan overeenstemming. De consument is in dat stadium niet verplicht te bewijzen dat een gebrek aan overeenstemming werkelijk een invloed heeft op het door hem gekochte goed of de precieze oorzaak van dat gebrek aan overeenstemming aan te geven. Opdat de kennisgeving nuttig is voor de verkoper, moet zij daarentegen een aantal aanwijzingen bevatten, waarvan de mate van nauwkeurigheid noodzakelijkerwijs varieert naargelang van de omstandigheden van iedere zaak.

Ten slotte wenst de verwijzende rechter te vernemen hoe de bewijslast wordt verdeeld en in
het bijzonder wat de consument moet bewijzen. Het Hof oordeelt dat indien het gebrek aan overeenstemming zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van de goederen heeft gemanifesteerd, de richtlijn de bewijslast voor de consument verlicht door te bepalen dat het vermoeden geldt dat het gebrek bestond op het tijdstip van aflevering. De consument komt evenwel slechts in aanmerking voor die verlichting, indien hij bepaalde feiten bewijst.

In de eerste plaats moet hij stellen en bewijzen dat het verkochte goed niet in overeenstemming is met de overeenkomst, doordat het bijvoorbeeld niet de overeengekomen eigenschappen bezit of ongeschikt is voor het doorgaans van dit soort goederen verwachte gebruik. De consument moet slechts het bestaan van een gebrek aan overeenstemming bewijzen. Hij is niet verplicht om de oorzaak van dat gebrek te bewijzen of de bewijzen dat de oorsprong ervan te wijten is aan de verkoper.

In de tweede plaats moet de consument bewijzen dat het betrokken gebrek aan overeenstemming zich binnen een termijn van zes maanden vanaf de aflevering van het goed heeft gemanifesteerd, dat wil zeggen zich werkelijk heeft voorgedaan. Indien die feiten zijn aangetoond, hoeft de consument niet te bewijzen dat het gebrek aan overeenstemming bestond bij de aflevering van het goed. Aangezien dat gebrek zich in de korte periode van zes maanden heeft voorgedaan, kan worden aangenomen dat het, ook al heeft het zich pas na de aflevering van het goed voorgedaan, bij de aflevering reeds bestond
„in een pril stadium”.

Het staat dan aan de verkoper om in voorkomend geval te bewijzen dat het gebrek aan
overeenstemming niet bestond bij de aflevering van de goederen, door aan te tonen dat dit
gebrek het gevolg is van of zijn oorsprong vindt in een handelen of nalaten dat dateert van
na die aflevering.

 

Bron: www.curia.europa.eu, tekst van de gehele uitspraak Froukje Faber vs. Autobedrijf Hazet Ochten BV

 

1. Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12).

2. Artikel 5, lid 2.

Naam auteur: Redactie
Geschreven op: 16 juni 2015

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.