Waarborgen tegen ‘nepnieuws’

Het functioneren van onze democratie valt of staat bij de mogelijkheden van de kiezer om op basis van juiste informatie een mening te vormen over gewenst beleid. Dat geldt te meer in een tijd waarin er steeds meer vormen van directe democratie bestaan. Zo heeft onjuiste informatie over extra budget voor het Britse gezondheidszorgsysteem waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld bij de uitslag van het Brexit-referendum. 

Yale historicus Timothy Snyder schrijft zelfs dat afstand doen van de feiten, afstand doen van de vrijheid betekent omdat machthebbers dan niet meer ter verantwoording kunnen worden geroepen. Feiten zijn volgens hem cruciaal voor onderling vertrouwen, voor het functioneren van instituties en de rechtsstaat en daarmee uiteindelijk voor de samenleving. Hij roept op om geloof te houden in het bestaan van de waarheid en onderscheid te blijven maken tussen dat wat goed voelt en dat wat waar is (vgl. zijn On Tyranny uit 2017).

Met name nieuwsvoorziening via sociale media en andere digitale kanalen roept in dit verband vragen op. Steeds meer Nederlanders zijn daarvan afhankelijk omdat zij niet bereid zijn om voor nieuws te betalen. Daarmee zijn deze vormen van informatieverschaffing een serieuze concurrent van de redactionele media in ons land, temeer omdat zij ook advertentie-inkomsten daarvan afsnoepen. Verschraling van het medialandschap dreigt op de langere termijn. Tegelijkertijd is er bij sociale media meestal geen redactionele controle en zorgen slimme algoritmes er voor dat bepaald nieuws meer of minder aandacht krijgt waarbij tevens een rol speelt of er wordt betaald voor extra aandacht (vgl. het rapport Digitalisering en nepnieuws, in 2018 uitgebracht door de ACM en het Commissariaat voor de Media). Verder is beïnvloeding door buitenlandse mogendheden een reëel gevaar. Die is in de Verenigde Staten onderwerp van discussie, maar ook in landen als Zweden, Frankrijk en Duitsland hebben trollen het online-debat rondom verkiezingen beïnvloed.

Dat roept de vraag op of we ons kunnen wapenen tegen nepnieuws. Dat is geen makkelijke vraag, zeker niet wanneer er daarbij wordt gekeken naar een rol voor de overheid. De scheidslijn tussen feiten en oordelen is vaak dun zodat dan al gauw het risico van censuur opduikt. Illustratief voor de complexiteit van het thema is het feit dat de term ‘nepnieuws’ eigenlijk niet gebruikt zou moeten worden. Die is namelijk gekaapt door machtige partijen om nieuws aan de kant te schuiven dat hen niet goed uitkomt. Beter is het daarom om te spreken van ‘desinformatie’.

Desondanks blijken er al de nodige maatregelen in de steigers te zijn gezet. Daarbij legt het Nederlandse kabinet het accent vooralsnog op bewustwording, zelfregulering en het behoud van een pluriform medialandschap (brief van 13 december 2018, Kamerstukken II 2018/19, 30 821, nr. 51). Vrijheid van meningsuiting, vrijheid van pers en het bevorderen van transparantie staan daarbij voorop. Mediawijsheid en digitale geletterdheid moeten worden bevorderd. Verder moet er wetenschappelijk onderzoek worden gedaan naar sociale media, internetzoekmachines en de herkomst van (des)informatie. Het kabinet wijst daarbij op het belang van coördinatie in Europees verband. Op dat Europese vlak kwam eind september 2018 in het kader van zelfregulering de EU Code of Practice on Disinformation tot stand waarbij (tech)bedrijven zich kunnen aansluiten. De code is gebaseerd op de aanbevelingen van een onafhankelijke Europese werkgroep in het rapport A multi-dimensional approach to disinformation (vgl. de bijdrage van de hand van haar voorzitter, De Cock Buning, in IER 2018/32). Deze code legt het accent op een betere inkadering van en transparantie over de rol van (politieke) adverteerders, integere dienstverlening onder meer door het tegengaan van valse accounts en het versterken van de positie van de consument. Dit kan bijvoorbeeld door inzicht te geven in de herkomst van informatie zodat deze meer op waarde kan worden geschat. Ook moet er ruim baan worden gegeven aan kritische onderzoekers en fact-checkers. Daarmee wordt weggebleven van een initiatief als de werkgroep EU vs Disinfo die de Europese Commissie instelde en die – nog steeds – een website bijhoudt (www.euvsdisinfo.eu) met voorbeelden van desinformatie. Dit initiatief kwam begrijpelijkerwijze onder vuur te liggen nadat daarop ten onrechte een aantal artikelen van Nederlandse media werd geplaatst. Een meer fundamentele kritiek daarop is dat het niet aan de overheid of de EU is om nieuws te kwalificeren. Dat kan namelijk omslaan in een vorm van censuur.

De staatscommissie Remkes gaat in haar eind 2018 verschenen eindrapport Lage drempels, hoge dijken nog een stap verder in de strijd tegen desinformatie. Zij pleit, behalve voor meer transparantie over het gebruik van digitale instrumenten door politieke partijen, voor wettelijke regels voor aanbieders van digitale platforms en websites. Geregeld moet worden dat zij zichtbaar maken dat er politieke informatie wordt aangeboden en of daarvoor is betaald. Verder moeten de mogelijkheden voor het gericht aanbieden van politieke advertenties worden beperkt. Om de naleving van deze regels te controleren en zo nodig sancties op te leggen bepleit de commissie de instelling van een onafhankelijke toezichthouder.

Al deze aandacht voor mogelijke waarborgen tegen desinformatie is terecht. Het is eveneens goed dat er daarbij wordt gewaakt voor een rol van de overheid zelf bij het beoordelen van de waarde van nieuws. Tegelijk is het louter vertrouwen op zelfregulering niet passend (vgl. Hins, Mediaforum 2018, p. 171 e.v.). Daarvoor is het probleem te serieus en het gedrag van techbedrijven te weinig coöperatief. Daarom verdient het voorstel voor een wettelijke regeling met een onafhankelijke toezichthouder van de commissie Remkes welwillende overweging.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2019/92, afl. 2

Tom Barkhuysen

Naam auteur: Tom Barkhuysen
Geschreven op: 15 januari 2019

Advocaat-partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Reinier Bakels schreef op :
Een "positieve" oplossing is om te zorgen voor goede informatie (nieuws in het bijzonder) in plaats van foute informatie te bestrijden. Bedenk dat ook het niet geven van informatie misleidend kan zijn.

Veel media zijn in private handen, en de "marktwerking in de media" leidt tot marktfalen: de commerciële waarde van nieuws wordt niet bepaald door juistheid of volledigheid. Veel lezers en kijkers willen graag hun vooropgestelde mening bevestigd zien. En adverteerders zien graag een koopkrachtig publiek.

Bijna zouden we vergeten dat we al media hebben die niet (alleen) afhankelijk zijn van de markt: de publieke omroep! De traditionele argumenten om die uit de algemene middelen (of uit een onroepbijdrage) te betalen zijn achterhaald door de techniek. Maar de publieke omroep kan wel informatie verschaffen die niet op winstgevendheid van het medium is geselecteerd.

Maar dan ligt het verwijt van een "staatsomroep" op de loer, een propagandakanaal van de regering. Dat moet ondervangen worden door goede redactiestatuten, die overigens geen beletsel hoeven zijn om richting aan te geven.

Een voorbeeld: dat de EU niet overal even populair is komt stellig mede doordat het publiek heel slecht wordt geïnformeerd over wat de EU organen doen. En dat geeft ruimte voor giftige legendevorming. Dus zou een "Europajournaal" gepast zijn, zoals de Duitsers dat trouwens al hebben.

Het besef moet in Den Haag doordringen dat een publieke omroep een aanvullende taak heeft. Inderdaad, dat was ook het argument om de publieke omroep te verbieden "plat amusement" uit te zenden, ook al omdat commerciële omroepen dat evengoed kunnen brengen. Daar zit echter de misvatting achter dat dat "platte amusement" de belastingbetaler anders geld kost, maar wie doordenkt begrijpt meteen dat ook een publieke omroep geld kan verdienen aan het soort programma's waar de commerciële van leven. De conclusie moet zijn dat een publieke omroep met een aanvullende taak geld kost (al hoeft die misschien geen drie netten te omvatten).

Uiteindelijk is het recht goed geïnformeerd te zijn een grondrecht dat het spiegelbeeld vormt van de vrijheid van meningsuiting, beide met allereerst het doel de burger in staat te stellen zijn rol te spelen in een democratie.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.