Gbagbo: een onthutsend vonnis

Op 16 juli 2019 verscheen de geschreven uitspraak van het International Criminal Court in de zaak tegen oud-president Gbagbo van Ivoorkust en zijn naaste medewerker Blé Goudé.1 We wisten in januari al dat ze waren vrijgesproken. Maar de kritiek die nu vooral in de (concurring) Opinion van Judge Cuno Tarfusser is te lezen op de kwaliteit van het werk van de Aanklager is onthutsend.

In de nasleep van de verkiezingen van 2010 in Ivoorkust werden 101 geïdentificeerde personen gedood, 17 vrouwen verkracht, en waren er 71 pogingen tot moord en 18 gevallen van andere onmenselijke behandeling.2 Onder meer werden mensen levend verbrand bij road blocks. Verder zijn meer dan 700 lichamen in massagraven aangetroffen. Het gaat in een strafzaak evenwel niet alleen om het leed dat de slachtoffers is aangedaan. De hoofdvraag was of de president strafrechtelijk verantwoordelijk was voor de misdaden van zijn soldaten en van de paramilitaire jeunes patriots. Omdat van een opdracht geen sprake was, ging het erom of kon worden bewezen dat Gbagbo en Blé Goudé betrokken waren bij ‘the creation and/or execution of a plan or policy to commit violent crimes against the civilian population of Abidjan’.

De meerderheid van de Trial Chamber achtte het door de Aanklager geleverde bewijs manifest onvoldoende om tot een veroordeling te komen en beëindigde de behandeling van de zaak voordat de verdediging had hoeven pleiten. Dat laatste is bijzonder, maar laat ik nu zitten. De Aanklager kwam niet verder dan haar verwijt dat er een gemeenschappelijk plan bestond om door aanvallen op supporters van rivaal Ouattara aan de macht te blijven, te onderbouwen met de stelling dat de gepleegde misdaden voorzienbaar waren in de context van (para-)militaire operaties. Maar hoewel voorzienbaarheid de juiste maatstaf is, maakt een te ruime toepassing dat begrip betekenisloos: ‘the mere awareness of the statistical possibility that one or more of their subordinates may engage in criminal ­activity at some undefined moment or place is not enough to impute criminal intent to persons in leadership ­positions’.3 Daarvoor moet volgens de Kamer de waarschijnlijkheid groter zijn en moet de voorzienbaarheid van de misdaden zijn verbonden met de uitvoering van een identificeerbaar aspect van een plan. Ook ten aanzien van de specifiek tenlastegelegde gebeurtenissen overtuigt de Aanklager niet. Je kan niet zeggen dat het verbieden van een demonstratie een voldoende bijdrage levert aan de moorden, verwondingen en verkrachtingen die tijdens de onderdrukking van die demonstratie plaatsvinden. En evenmin is vol te houden dat Gbagbo’s aansporing van de troepen om door te vechten en de wijk Abobo niet op te geven (in de strijd met de guerrillagroep Commando Invisible) gelijk staat aan het opzettelijk nalaten om misdrijven tegen de burgerbevolking te onderzoeken en de daders te vervolgen.

Een en ander doet natuurlijk niet af aan de gruwelen die zijn voorgevallen en dat verklaart waarschijnlijk de uitgebreidheid van de liefst 961 pagina’s ‘Reasons’ die Judge Henderson namens de meerderheid schreef. Vanuit strafrechtelijk perspectief is zijn betoog overbodig lang; maar met het oog op de waarheidsvinding – toch een van de gronden voor het bestaan van het ICC – kan ik me zijn keuze wel indenken. Niettemin schuilt er een gevaar in: door in het kader van de waarheidsvinding het onderzoek naar het leed van de slachtoffers zo te benadrukken, dreigt uit beeld te raken of dat leed wel aan de verdachten is te verwijten.

Wat de beslissing zo onthutsend maakt, is de kritiek in de Opinion van Tarfusser op de Aanklager. Stapels documenten zijn aangedragen die noch separaat noch in samenhang ook maar enige relevantie voor het bewijs hebben. Ook werden diverse, voor de bewijsvoering irrelevante getuigen en deskundigen voorgesteld en opgeroepen. Tarfusser windt zich zichtbaar op over de door het Hof hiermee te gemakkelijk aanvaarde verkwisting van tijd en geld. De Aanklager verwijt hij dat deze verder niet alleen heeft nagelaten de tenlastelegging als uitgangspunt voor de behandeling van de zaak te nemen, maar ook producties over te leggen die ‘strike for the degree for which they are lacking in structure, organization and clarity, a lack compounded by their overall repetitiousness, circularity and redundancy’.4 Verder bleek tijdens de behandeling ter zitting een ‘overall disconnect’ tussen het verhaal van de Aanklager en de feiten. Ondanks diverse getuigenverklaringen was de Aanklager niet bereid haar zwart-witbeeld bij te stellen, ze wijdde geen woord aan de gewapende tegenstand van de Commando Invisible en ze negeerde geheel de herhaalde instructies van Gbagbo aan het leger om het humanitaire recht en de mensenrechten te respecteren, af te zien van roof e.d. en de activiteiten van het Rode Kruis te faciliteren.

De kritiek van Tarfusser betreft ook het Hof zelf. Hij hekelt de ongerechtvaardigde tolerantie voor nodeloze discussies die afleiden van de belangen waar het om gaat. En de gebruikelijke, enorme omvang van de uitspraken en tussenbeslissingen maakt het internationale recht ­volgens hem ontoegankelijk en onbegrijpelijk. In dat verband verbaast Tarfusser zich ook over de benadering en strategie van de verdediging. Deze ging voortdurend in beroep over trivialiteiten, maar niet toen – ondanks het evident dunne bewijs – het verzoek om schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen. Uiteindelijk krijgt ook de Appeal’s Chamber ervan langs die drie dagen na het bevel van de Trial Chamber tot onmiddellijke ­vrijlating, de verdachten – zonder vermelding van enige buitengewone omstandigheid – aan een huisarrest onder strikte voorwaarden heeft onderworpen.

Dat een rechter in zijn opinie zo hard uithaalt naar de Aanklager (en naar zijn collega’s) is opmerkelijk. Al eerder zei oud-rechter Christine van de Wyngaert dat het ICC eens in de spiegel moet kijken. Nu hebben rechters door hun eindvonnis gesproken. Het wachten is op maatregelen van een Aanklager die er blijk van geeft te beseffen hoe het strafrecht moet werken.

 

Dit Vooraf verschijnt in NJB 2019/1746, afl. 29

  1.  www.icc-cpi.int/RelatedRecords/CR2019_03857; appel is ingesteld.
  2. Dissenting Opinion Judge Herrera Carbuccia rov. 10.
  3. Opinie van Judge Henderson rov. 1920
  4. Opinion van Judge Tarfusser rov. 40.

 

Afbeelding: ICC
Bron: https://www.flickr.com/photos/anemoontjes/32613759027/

Ybo Buruma

Naam auteur: Ybo Buruma
Geschreven op: 2 september 2019

Raadsheer in de Hoge Raad der Nederlanden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.