56 kinderen in IS-kampen

Binnen een tijdsbestek van elf dagen moet de hoop op terugkeer naar Nederland zijn vervlogen voor 56 kinderen en hun IS-moeders in de opvangkampen in Noord Syrië. Op 11 november 2019 oordeelde de rechtbank Den Haag in kort geding dat de staat zich binnen veertien dagen moet inspannen de kinderen van Syriëgangers, die zich onder erbarmelijke omstandigheden in de opvangkampen bevinden, naar Nederland te halen.1

Van de 56 kinderen is meer dan 70% jonger dan zes jaar en géén ouder dan twaalf jaar. De rechtbank overweegt uitdrukkelijk dat het gaat om een inspanningsverplichting en dat die zich niet uitstrekt tot de moeders die welbewust naar de IS-gebieden zijn afgereisd, tenzij de autoriteiten ter plekke erop staan dat de kinderen niet zonder hen mogen vertrekken. Op 22 november 2019 oordeelde het hof Den Haag in spoedappel anders. De boodschap van de mondelinge uitspraak was, dat hoe afschuwelijk de situatie in de IS-kampen in Syrië ook is, niet de rechter maar de politiek moet beslissen wat er met de kinderen en hun moeders moet gebeuren. Het schriftelijk gemotiveerde arrest volgde op 6 december 2019.2 Daaruit kunnen we opmaken dat het hof, net als de rechtbank, van oordeel is dat een verplichting van de staat de kinderen uit Syrië te halen niet kan worden gebaseerd op art. 2 (recht op leven), 3 (verbod van onmenselijke behandeling), en 5 (recht op vrijheid en veiligheid) van het EVRM noch op de art. 2 lid 2 (kinderen zijn niet verantwoordelijk voor de daden van hun ouders), 3 (de belangen van het kind staan voorop) en 6 (recht van het kind op leven, overleven en ontwikkeling) van het IVRK, kortweg omdat Nederland in Syrië geen rechtsmacht heeft. Daarin onderscheidt zich deze zaak volgens het hof van de ‘Srebrenica’- en ‘Urgenda’- zaken waarin – vanwege deze rechtsmacht – bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het optreden van de staat ook is meegewogen of de staat heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs van hem verwacht konden worden om  mensenrechtenschendingen te voorkomen. De rechtbank heeft haar uitspraak gebaseerd op de zorgvuldigheidsnorm van art. 6:162 BW en op grond daarvan geoordeeld dat de staat niet langer kan weigeren zich actief in te zetten om de kinderen uit de kampen weg te halen. Op dit punt heeft de rechtbank volgens het hof de beleidsvrijheid van de staat onvoldoende gerespecteerd en is zij in de politieke afwegingen van de staat getreden. Volgens het hof kan het standpunt van de staat alleen marginaal worden getoetst waarbij het hof wel van mening is dat ook wanneer de staat geen rechtsmacht heeft, de op het spel staande grondrechten indirect in de belangenafweging moeten worden betrokken.

En daarin schuilt het duivelse dilemma in deze zaak. Hoe moet je marginaal toetsen als het leven van heel jonge kinderen, die niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden voor het handelen van hun ouders, op het spel staat?

Het hof heeft de uitweg gekozen, door anders dan de rechtbank, ook de vrouwen, die volgens het hof inzetten op een gezamenlijke terugkeer, in de belangenafweging te betrekken. Daarop heeft de staat in appel ook zwaar ingezet: de jihadistische vrouwen worden gezien als een gevaar voor de nationale veiligheid. Het hof stelt vast dat dit gevaar in de procedure niet is weerlegd. Dat geldt ook voor het beroep van de staat op de veiligheidsrisico’s die ambtenaren in Syrië lopen, ondanks de toegezegde hulp door de Koerden, Amerikanen en het Rode Kruis. Bovendien kunnen de internationale betrekkingen door een terughaalactie beïnvloed worden, doordat de staat ter plekke zal moeten onderhandelen met ‘statelijke en niet-statelijke entiteiten’.  Al met al komt het hof tot het oordeel dat ondanks de grote belangen van de kinderen en de vrouwen, niet gezegd kan worden dat de staat in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot zijn weigering om zich in te zetten hen uit Syrië weg te halen. Tot slot overweegt het hof dat dit: “..evenwel niet weg[neemt] dat over het gewicht van de door de Staat gebruikte argumenten en over de door hem op basis van die argumenten gemaakte afweging, verschillend kan worden gedacht. Die afweging is echter aan de politiek, en niet aan de rechter..”

Uit de media begreep ik dat het heel stil werd in de zittingzaal toen het hof deze uitspraak deed. Ik ben er nog steeds stil van. Wat mij misschien nog wel het meeste stoort is, dat in deze zaak over de ruggen van kinderen een strijd lijkt te worden gevoerd over de verhouding tussen de rechtspraak en de politiek die sinds de Sebrenica- en de Urgenda-zaak op scherp staat. Ik kan de halsstarrigheid waarmee de politiek zich in deze kwestie verzet tegen inmenging vanuit de rechtspraak, waarbij de regering zelfs niet bereid is zich in te spannen om (alleen) de kinderen te redden, anders moeilijk verklaren. Niemand betwist dat de omstandigheden in de kampen erbarmelijk zijn en tot ernstige ontwikkelingsschade en levensbedreigende situaties voor de kinderen kunnen leiden. Het kan niet met droge ogen worden volgehouden dat de kinderen zelf een bedreiging voor de nationale veiligheid zullen vormen. De primaire angst die in de politiek en het electoraat leeft, is dat de kinderen niet van hun jihadistische moeders gescheiden kunnen worden of dat de moeders de kinderen zullen volgen en hier aanslagen kunnen plegen. Die angst is te begrijpen, maar de professionals in de veiligheid, het OM en de NCTV hebben juist in het belang van de veiligheid op lange termijn gepleit voor het terughalen van niet alleen de kinderen maar óók van de vrouwen, zodat zij in Nederland kunnen worden berecht. Ik had gehoopt dat het hof de moed had gehad over de te maken belangenafweging anders te denken.

 

Dit Vooraf wordt gepubliceerd in NJB 2019/2693, afl. 43

 

  1. Rb Den Haag 11 november 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:11909.
  2. Hof Den Haag, 22 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3208.
Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 9 december 2019

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Geert van Beek schreef op :
“De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettigheid van wetten en verdragen” (artikel 120 Gw). Afschaffen zegt Frits Jansen in zijn reactie hieronder. Maar nog altijd treedt de rechter niet in de beoordeling van de grondwettigheid van de grondwet zelf, juist dan niet wanneer die grondwet hem tot een willoos en gehoorzaam werktuig van het democratische volksgevoelen maakt. Zouden ‘onafhankelijke’ rechters zich niet eens liever moeten bekwamen in het treden in de juiste beoordeling van de FEITEN? In ieder geval is dát wat ik hieronder nogmaals probeer te doen.

Uit de Duitse vernietigingskampen komt het verhaal van een kampbewaakster die op zo’n schattig Joods jongetje viel. Ze bracht elke dag snoepjes en kleine kadootjes voor hem mee en speelde met hem. Toen dit jongetje echter eenmaal in de rij stond om vergast te worden stak deze vrouw natuurlijk geen vinger voor hem uit, want dat was haar vermoedelijk op een reprimande van de kampcommandant komen te staan. Ook mw. Spronken steekt uiteindelijk geen vinger uit voor de IS-kinderen, waar ze wel in NJB Blog het bovenstaande prachtige artikel over schrijft, net zo prachtig als het artikel van Ulli d’Oliveira in het NJB Blog van 8 maart 2018. De IS-kinderen en hun familie schieten daar niets mee op. En inmiddels wordt de situatie in alle opzichten onhoudbaar.

Welke vinger mogen de IS-vrouwen, -kinderen en hun familieleden in Nederland van deze topjuristen in hun comfortabele ivoren torens verwachten? Dat ze ons burgers TENMINSTE gedetailleerd en waarheidsgetrouw informeren over hoe je rechters zoals de drie raadsheren van het Hof van Den Haag wegens hun gruwel-uitspraak van 22 november 2019 voor de Hoge Raad kunt brengen. Daarbij moet onder ogen worden gezien dat de pgHR Silvis en de minister van V&J Grapperhaus daarvoor beide vervangen moeten worden. Dat kan op grond van respectievelijk artikel 118 van de Wet RO, en op grond van de nu geldende Vervangingsregeling ministers (Zie protocol aangifte ambtsdelicten Staatscourant 2018 / 3803). Maar als wij, gewone burgers, hierover een schriftelijk verzoek proberen in te dienen worden wij in ons gezicht uitgelachen, al meteen door onze advocaten zoals ik zelf herhaaldelijk heb mogen ervaren, tenzij…… TENZIJ EEN TOPJURIST ONS PRECIES UITLEGT HOE GEWONE BURGERS DAT KUNNEN DOEN. Ik nodig mevrouw Spronken hierbij uit om ons deze informatie zo snel mogelijk in deze blog te geven. Dát is de vinger die voor deze kinderen moet worden uitgestoken. En jazeker; dan wordt commandant Silvis pas écht boos!

Daarnaast verzoek ik de redactie van NJB Blog om Spronken’s artikel over de IS-kinderen niet meer zonder de bijbehorende reacties op internet te laten verschijnen; dat voorkomt reacties waarin mensen volkomen langs elkaar heen praten.

Frits Jansen schreef op :
Er is in Nederland een zeker ongemak als de rechter zich bemoeit met politiek gevoelige zaken.
Paul Cliteur heeft toen hij nog partij-filosoof was van de VVD de gedachte ingang doen vinden dat er zoiets bestaat als "het primaat van de politiek", een bedrieglijk geloofwaardige gedachte, die nochtans niet te verenigen is met de klassieke rechtsstaat met drie gescheiden machten die geen van drieën de baas zijn.

Het lastige is dat we in Nederland te kampen hebben met een Grondwet die geschreven is om een probleem van 1848 op te lossen: de macht te verschuiven van Koning naar Parlement. Thorbecke schoot daarin door, en bepaalde dat (formele) wetten niet getoetst mogen worden aan de Grondwet, naar huidige staatsrechtelijke maatstaven een absurde regel.

Centrale vraag is hoe rechters zonder democratische legitimering politici de les kunnen lezen die wel democratisch gelegitimeerd zijn. Patrick van Schie, een (andere) VVD "filosoof" schold al eens de rechters van het EHRM uit voor "politici in toga".

De Duitsers, door schade en schande wijs geworden, namen in 1949 een grondwet aan die de basis vormt van een systeem dat een antwoord geeft op zulke bezwaren: ze hebben een aparte rechtbank (het Bundesverfassungsgericht) dat wetten wel kan afkeuren wegens strijd met grondrechten (ook in abstracto), maar het dan aan het Parlement overlaat om (binnen een gestelde termijn) met een betere wet te komen. Gebeurt dat niet, dan vervalt de gewraakte wet op termijn. Dat gebeurde o.a. met een discriminerend geachte belastingwet.
Dit zgn. Parlamentsvorbehalt haalt de angel uit het bezwaar dat rechterlijke beslissingen niet democratisch zijn.

Toen Minister Donner ooit heel academisch riep dat in Nederland de Sharia kan worden ingevoerd zodra een meerderheid dat wil was het huis te klein, maar in wezen legde hij de vinger op de zere plek van een manco in ons staatsrechtelijke systeem, want een constitutionele rechter zou Sharia wetten kunnen afkeuren wegens strijd met grondrechten (dat de Sharia ook heel praktische maatschappelijke vraagstukken regelt op een reële manier is voor deze discussie minder van belang).

Kortom het wordt tijd dat Nederland eindelijk een volwassen rechtsstaat wordt,.
Geert van Beek schreef op :
Als ik Vicenzo Lampare hieronder goed begrijp, brengt juist Jos Silvis de onafhankelijkheid van de rechter in gevaar door een lid van zijn eigen Parket in het openbaar zo pedant te kapittelen. Volledig mee eens. Maar mensen waar hébben we het hier over? Taru Spronken heeft in bedekte termen gewezen op een door het Haagse Hof gepleegd rechterlijk misdrijf waar Nederland zich internationaal volledig mee diskwalificeert. Een vogelvrijverklaring - mensen uitleveren aan het 'gezonde' (lees: politiek gemanipuleerde) volksgevoelen - is toch wel het ergste wat een rechter kan doen. De uitspraak van 22 november 2019 moet vernietigd worden in het kader van een STRAFPROCES tegen de drie betrokken raadsheren, en niet in het kader van een formele cassatieprocedure. En ook deze angstige Jos Silvis hoort daarbij nu in de beklaagdenbank te zitten. Dit is niet bepaald het geschikte moment voor ijdele intellectualistische bespiegelingen.
Vicenzo Lampare schreef op :
Welke mening men ook is toegaan t.a.v. deze zeer complexe kwestie, lijkt het mij evident dat een burger het te allen tijde vrij staat zijn of haar mening te uiten in een publiek medium. Het zou uiteraard een geheel ander verhaal zijn geweest, indien mevr. Spronken de column in samenspraak met een zgn. IS-moeder of in een meer vooringenomen tijdschrift had gepubliceerd, maar daar is geen enkele sprake van geweest. P-g Silvis geeft nota bene aan dat de column "op persoonlijke titel" geschreven is en vanuit die hoedanigheid kan er mijns inziens geen kwaad in bestaan dat een persoon zijn of haar mening uit over een bepaalde kwestie. Daartoe zou het niet van belang mogen zijn dat zij werkzaam is als a-g, daar een mening niet gelijkgesteld kan worden met een uit professionele hoofde gegeven advies. Kennelijk acht p-g Silvis een vakbekwame a-g bij de Hoge Raad niet in staat om om haar persoonlijke mening te scheiden van haar professionele beoordelingsvermogen, hetgeen in mijn ogen louter opgevat kan worden als een verkapte motie van wantrouwen.
Voorts dient erop gewezen te worden dat p-g Silvis in deze een kardinale blunder begaat door te spreken over de aantasting van de "onafhankelijkheid" van de rechtspraak bij de Hoge Raad (welke stelling met het bovenstaande reeds is ontkracht), doch meen ik mij als llegis magister te herinneren dat de onafhankelijkheid ziet op het doen van gerechtelijke uitspraken zonder dat een (hogere) instantie of (hoger) ambt daar invloed op uit kan oefenen en het is betwistbaar of dat aan de orde is in deze kwestie. Het parket bij de Hoge Raad kan immers zozeer als een onderdeel van de Hoge Raad, gelijkelijk als een aparte instantie beschouwd worden. De juridische dogmatiek is daar nog altijd niet geheel over uit. In dit geval zou binnen zijn stellingname daarentegen de onpartijdigheid veeleer in het geding zijn, hetgeen betrekking heeft op de afwezigheid van enige (schijn van) vooringenomenheid t.a.v. de partijen en standpunten in een litigieuze rechtszaak. Die rectificatie zou een eerstejaars rechtenstudent nog hebben kunnen geven. Zelfs vanuit die optiek lijkt diens reactie kwestieus, zoals reeds vermeld. Recapitulerend: sinds wanneer kan een rechter zijn of haar functionele pet niet meer afzetten en een persoonlijke mening uiten die losstaat van een professioneel en juridisch onderbouwd advies?
Tot slot dient er nog op gewezen worden dat het naïef is om te veronderstellen dat rechtspraak geheel gevrijwaard zou zijn van enige waardeoordelen en volstrekt neutraal opereert, zoals p-g Silvis lijkt te beweren. Mijns inziens wordt het recht immers niet altijd rechtstreeks en volstrekt objectief uit het recht geschapen, doch spelen opvattingen en de "intuïtie" zeer zeker een rol in de rechterlijke afweging.
Geert van Beek schreef op :
Ben zeer verontwaardigd over de terechtwijzing door Jos Silvis (pgHR) op rechtspraak.nl van Taru Spronken vanwege het bovenstaande artikel. Taru Spronken spreekt in zorgvuldige en naar mijn smaak zelfs al te verhulde bewoordingen uit wat in ieder geval ook mijn mening is en vermoedelijk die van vele andere (monddood gemaakte) Nederlanders: De op 22 november 2019 in het openbaar uitgesproken beslissing van het Hof van Den Haag is niets anders dan de door de politiek gewenste vogelvrijverklaring van alle IS-aanhangers. De verantwoordelijke raadsheren dienen daarvoor m.i. strafrechtelijk vervolgd te worden wegens het in vereniging begaan van een ambtsmisdrijf. Deze laffe raadsheren hebben geen enkele rechtsmacht meer OVER ZICHZELF. Liever rekenen ze erop voor hun primitieve en misdadige burgerlijke doodverklaring... door de pgHR uit de wind te worden gehouden!
K. Zorgvliet schreef op :
Deze dame bewijst niet thuis te horen in een orgaan als de Hoge Raad.
Verdeer laat het zich raden hoe deze IS kinderen later over Nederland zullen denken als hun moeders hier zware straffen krijgen. Gezinnen die Nederland verlaten om elders te doden en te moorden dienen nimmer naar NL te mogen terugkeren. Dat de kinderen in erbarmelijke omstandigheden leven is jammer, maar dat geldt voor vele miljoenen kinderen en die kunnen niet door Nederland "gered" worden.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.