Zeggenschap over lichaamsmateriaal: beter laat dan nooit?

‘Beter laat dan nooit’, moet het National Institute of Health in de VS hebben gedacht. Vorige maand meldde het tijdschrift Nature dat nabestaanden van de Amerikaanse Henrietta Lacks alsnog invloed krijgen op wetenschappelijk onderzoek waarin genetische informatie wordt gebruikt gebaseerd op lichaamsmateriaal dat in 1951 bij haar werd afgenomen. Dat gebeurde zonder haar medeweten en toestemming, vlak voordat ze aan baarmoederhalskanker overleed.

Uit dat weefsel werden destijds tumorcellen afgezonderd, die in leven bleken te kunnen blijven en de basis vormden voor de zogeheten HeLa-cellijn. Die cellijn was een wetenschappelijke en financiële goudmijn: nog steeds wordt deze wereldwijd in onderzoekslaboratoria gebruikt, zijn er tienduizenden wetenschappelijke publicaties op gebaseerd en miljoenen dollars mee verdiend. Zonder dat de familie van Lacks er iets over te zeggen had, laat staan mee kon profiteren. Al jaren staat de kwestie symbool voor het ontbreken van heldere (wettelijke) regels rondom zeggenschap over lichaamsmateriaal, zoals bloed, biopten van weefsel (huid, slijm), bot- en urinemonsters.

Ook in ons land ontbreken heldere regels. Volgend jaar is het 25 jaar geleden dat de Gezondheidsraad in het advies ‘Erfelijkheid: wetenschap en maatschappij’ concludeerde dat afspraken nodig zijn over gebruik van herleidbaar lichaamsmateriaal. Alhoewel de minister van Justitie een jaar later dit standpunt onderschreef, in 1997 de minister van Volksgezondheid de Tweede Kamer liet weten met een wet te komen, opeenvolgende ministers dit voornemen bevestigden en de verantwoordelijk staatssecretaris in 2008 meldde dat een wetsvoorstel in het daaropvolgende jaar zou worden aangeboden, is er tot op heden geen concept verschenen. In het overzicht met beleidsdoelstellingen dat minister en staatssecretaris van VWS afgelopen april naar het parlement stuurden, valt te lezen dat agendering van de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal in ieder geval niet voor de komende twee jaar is voorzien.

Ondertussen laten we allemaal wel eens bij de dokter of in het ziekenhuis bloed afnemen of een stukje weefsel onderzoeken. De meerderheid onder ons zal niet weten wat daar vervolgens mee gebeurt, laat staan of we daar iets over te zeggen hebben. Duidelijk is wel dat de opslag van menselijk weefsel in zogeheten biobanken sterk aan populariteit wint, zeker nu uit dit weefsel waardevolle genetische informatie is af te leiden. Die informatie vormt een belangrijke grondstof voor gezondheidsonderzoek. Onderzoek overigens, waar – zoals in het geval van Henrietta Lacks – ook veel geld mee te verdienen valt.

Niet alleen ontbreekt het aan een omvattende regeling voor opslag en verder gebruik van lichaamsmateriaal. Er is ook geen wettelijk systeem voor het toezicht daarop. Alhoewel via zelfregulering een gedragslijn is ontwikkeld voor wetenschappelijk onderzoek met lichaamsmateriaal (de Code Goed Gebruik), de Grondwet (via art. 10 en art. 11) normerend is, art. 7: 467 BW een regeling bevat voor nader gebruik van anoniem restmateriaal voor wetenschappelijk onderzoek en her en der wettelijke regels (waaronder in de: Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen; Wet veiligheid en kwaliteit lichaamsmateriaal; Wet foetaal weefsel; Embryowet, Wet op de Orgaandonatie en de Wet inzake Bloedvoorziening) bij elkaar zijn te sprokkelen, ontbreekt het aan rechtszekerheid op tal van onderwerpen. Die onzekerheid wordt steeds prangender als het aankomt op het informeren over en geven van/verkrijgen van toestemming voor nader gebruik van lichaamsmateriaal, d.w.z. ander gebruik dan waar het materiaal in eerste instantie voor ter beschikking werd gesteld. Datzelfde geldt voor verder gebruik van herleidbaar restmateriaal. Onduidelijk is bijvoorbeeld of hier een enkel ‘geen-bezwaar’ van betrokkenen voldoende is, of dat zij in de gelegenheid moeten zijn ook hiervoor explicieter toestemming te verlenen. Er bestaat sowieso veel onduidelijkheid over ‘toestemming’ (hoe breed mag of specifiek moet deze zijn?; welke informatie moet de betrokkene krijgen om geïnformeerd te kunnen zijn?; op welk moment moet toestemming worden verkregen?, etc.). Helderheid zal er ook moeten komen over: voorwaarden waaraan de opslag van het materiaal moet voldoen, bewaartermijnen, koppelen met andere informatiebestanden, gebruik van het materiaal voor strafrechtelijk onderzoek, de ruimte voor gebruik t.b.v. commerciële doeleinden, toezicht op gebruik en een klachtenregeling.

Al met al een stevig wetgevingsproject. Belangrijk is ook of een afzonderlijke Wet zeggenschap lichaamsmateriaal al deze kwesties moet regelen of dat aanpassen van bestaande wetgeving de voorkeur geniet. De Wet medisch-wetenschappelijk onderzoek met mensen (WMO) zou in het laatste geval de aangewezen route zijn om veel kwesties te regelen. Uit het verslag van een Algemeen Overleg met de minister van VWS (30 mei j.l.) over deze wet, blijkt dat zij ervoor kiest alles “overzichtelijk bij elkaar te zetten in één wet”. Helaas laat die wet volgens haar eigen beleidsagenda nog jaren op zich wachten. Ondertussen sleutelt de minister met onvoldoende scherp ad hoc-beleid aan het bestaande kader. Zo presenteert ze, aldus het Algemeen Overleg van mei, op korte termijn een visie op ‘genetische bijvangst’ uit foetaal weefsel en een wetswijziging die gebruik van dit weefsel voor strafrechtelijk onderzoek mogelijk maakt. Verder liet ze welhaast terloops weten dat commercieel gebruik van foetaal weefsel is toegestaan, op voorwaarde dat de vrouw toestemming verleent en het tot geneeskundige doeleinden, onderzoek en onderwijs beperkt blijft. Alhoewel kamerlid Arib op basis van deze laatste opmerking concludeerde dat foetaal weefsel dus niet voor commercieel gebruik is bedoeld, biedt de opmerking van de minister natuurlijk alle ruimte voor commercieel pharmaceutisch onderzoek. Ook had de minister veel steviger moeten zijn over de wijze waarop een vrouw haar toestemming dient te geven. ‘Beter laat, dan nooit’, kan natuurlijk ook de insteek in ons land zijn. Maar na 25 jaar aarzelen is ‘laat’ gegeven de medische en technologische realiteit anno 2013, inmiddels ‘nu’ geworden.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/1965, afl. 32, p. 2179.


Bron afbeelding: Pommiebastards

Corien Prins

Naam auteur: Corien Prins
Geschreven op: 17 september 2013

Hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.