Vrijheid van vergadering in roerige tijden

Het kan niemand zijn ontgaan: de diplomatieke crisis met Turkije. Deze begon met het intrekken van de landingsrechten van het vliegtuig waarmee de Turkse minister van Buitenlandse Zaken Çavusoglu naar Nederland wilde komen om Nederlands-Turkse stemgerechtigden toe te spreken in verband met het referendum over de Turkse grondwet. 

Toen de daarna uit Duitsland aangereisde minister Kaya van Familiezaken het Turkse consulaat in Rotterdam niet mocht betreden en ‘s nachts als ongewenste vreemdeling het land uit werd gezet, was de rel compleet. Het kordate optreden van Rutte oogstte in Nederland veel lof. De storm van verbale agressie die vervolgens van de kant van Turkse autoriteiten opstak, veroorzaakte veel verontwaardiging in heel Europa en de EU verklaarde zich bij monde van Tusk solidair met Nederland. Maar de EU zit in een spagaat. Aan de ene kant zijn er grote en terechte zorgen dat Turkije na de mislukte staatsgreep afglijdt naar een dictatuur, zeker als het referendum wordt aangenomen dat Erdogan’s macht nog meer uitbreidt. Aan de andere kant zijn Europa en Turkije geopolitiek op elkaar aangewezen. Feit is dat het moeilijk blijft het hoofd koel te houden bij de nazi-vergelijkingen die Turkse politici de wereld in slingeren en bij hun provocatieve gedrag waarbij ze de diplomatieke mores aan hun laars lappen. Stellen ze daarbij hun vrijheid om te spreken niet zelf ter discussie? Hebben zij nog wel recht gebruik te maken van vrijheden in ons land, die zij in eigen land niet toestaan?

Bij alle commotie lijkt alleen al het stellen van de vraag, of de Turkse regering misschien een punt heeft, als het zoals aangekondigd in Straatsburg zou klagen dat Nederland het recht van vergadering ex art. 11 EVRM heeft geschonden, bijna onbehoorlijk. Toch moeten we ons die vraag blijven stellen. Juist in situaties waarbij de emoties hoog oplopen, zijn de vrijheid van vergadering en meningsuiting die in het EVRM en ook in onze Grondwet worden gewaarborgd en waarvoor we zeggen pal te staan, het meest kwetsbaar. De Duitse regering kampt met hetzelfde dilemma. Daar heeft Çavusoglu vlak voordat hij Nederland wilde aandoen en nadat hem een publiek optreden was geweigerd, zijn aanhangers in de tuin van het Turkse consulaat in Hamburg toegesproken en daarbij fel uitgehaald naar de Duitse regering, die de Turken in Duitsland zou onderdrukken. Een gotspe, als we bedenken wat er in Turkije gebeurt. Desalniettemin stellen de Duitsers zich tot nu toe op het standpunt dat Turkse politici in principe mogen komen spreken, als ze zich aan de regels houden. Maar ook daar zwellen de tegengeluiden aan.

De redenen die de Nederlandse regering voor de maatregelen in haar kabinetsverklaring1 heeft gegeven zijn dat ‘Nederland er niet aan mee werkt dat Turkse ministers in Nederland publiekelijk politieke campagne voeren’, dat de openbare orde en veiligheid niet in het geding mogen komen en dat overleg over een bijeenkomst met een kleinschalig en besloten karakter in een Turks consulaat of ambassade onmogelijk werd gemaakt door de publieke dreiging van Turkije met sancties, die werd gevolgd door onacceptabele uitlatingen jegens Nederland. In dat verband was aan Kaya te kennen gegeven dat zij niet welkom was en werd haar komst, tegen de wil van Nederland in, onverantwoord genoemd.

Zijn deze gronden bezien in het licht van art. 11 EVRM legitiem? Volgens Voermans, hoogleraar Staats- en Bestuursrecht in Leiden, kan vrees voor ordeverstoringen aanknopingspunten bieden om dit soort campagnebijeenkomsten te verbieden, maar mag daarbij de inhoud van een in de ogen van Nederlanders onwelgevallige boodschap van de Turkse minister, gelet op de vrijheid van meningsuiting, juridisch gezien geen rol spelen. Zijn Nijmeegse collega Bovend’Eert ziet eigenlijk helemaal geen juridische grondslag om de Turkse ministers, die niet als bewindspersoon maar in hun hoedanigheid van lid van de partij van Erdogan naar Nederland komen, te verbieden om campagne te voeren voor een referendum onder Turkse Nederlanders die in Turkije stemrecht hebben. Het recht van vrijheid van meningsuiting en vergadering geldt ook voor niet-Nederlanders die op Nederlands grondgebied zijn.2

Uitgaande van hetgeen Voermans en Bovend’Eert voorop hebben gesteld, kan alleen het openbare orde aspect, inclusief het aanzetten tot haat of oproepen tot geweld, een valide argument zijn Turkse campagnevoerders te beletten in Nederland toespraken te houden. Daarbij heeft het EHRM nog onlangs uitgemaakt dat een weigering toestemming te geven voor een bijeenkomst vanwege veiligheidsrisico’s door een mogelijke confrontatie tussen deelnemers aan een bijeenkomst en tegenstanders ervan, als zodanig onvoldoende grond is de bijeenkomst te verbieden.3 Daar is dus meer voor nodig. Het is vanaf de zijlijn moeilijk te beoordelen of de komst van Çavusoglu een reëel openbare orde risico met zich bracht. Ik heb niet gelezen dat zijn optreden in Hamburg tot rellen heeft geleid. Dat de situatie bij de komst van Kaya uit de hand dreigde te lopen, omdat zich een grote menigte bij het consulaat in Rotterdam had gevormd die naar zeggen van burgemeester Aboutaleb vanuit het Turkse consulaat was opgeroepen, lijkt me wel aannemelijk. Maar toen was de geest al uit de fles.

Wat is nu mijn punt? Ik ben van mening dat er nog steeds zorgvuldig langs de lijnen van de Straatsburgse jurisprudentie moet worden afgewogen of de vrijheid van vereniging en meningsuiting mag worden ingeperkt, ook al gaat het om ministers uit Turkije die ons het bloed onder de nagels vandaan halen. Als we dat niet meer doen, met het argument dat de ander zich daar ook niet aan houdt, dan wordt het een race to the bottom en daar ben ik bang voor.

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2017/666, afl. 12.

 

Bron afbeelding: SSG Robert Stewart

 

  1. www.rijksoverheid.nl/actueel/nieuws/2017/03/12/verklaring-kabinet-uitgeleiden-turkse-minister-kaya
  2. Zie ‘Wetenschappers over spanning met Turkije’, 14 maart 2017, www.universiteitleiden.nl/nieuws/2017/03/wetenschappers-over-spanning-met-turkije.
  3. EHRM 4 februari 2017, Lashmankin e.a. tegen Rusland, nr. 57818/09, zie m.n. par. 424 en 425. 
Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 21 maart 2017

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.