Verdienvermogen

‘Het einde van de vanzelfsprekendheid’, zo begint het vorige week gepresenteerde WRR-rapport Naar een lerende economie. Investeren in het verdienvermogen van Nederland. Een stabiele economische groei is ons niet langer gegeven. We staan aan de vooravond van een periode met schaarste aan geschikte arbeidskrachten en tekorten aan noodzakelijke grondstoffen.

De snelheid waarmee productieprocessen veranderen neemt toe en het langdurig behouden van een leidende marktpositie is maar weinig bedrijven gegeven. Bovendien veranderen de mondiale machtsverhoudingen, wat weliswaar kansen biedt, maar tegelijkertijd gevestigde posities op scherp zet. De centrale boodschap van de WRR is dan ook: ons land zal zich moeten voorbereiden op een wereld waarin succesvol innoveren betekent dat zowel benodigde infrastructuur, instituties, als menselijk kapitaal zodanig zijn toegerust dat ze adequaat kunnen inspelen op wisselende omstandigheden. Daarbij zijn verdienvermogen en responsiviteit sleutelbegrippen. Inzetten op beide vraagt om een andere focus. Niet langer zal het beleid primair gericht moeten zijn op product- en marktinterventies. Afgestapt moet ook worden van de gedachte dat markten te corrigeren zijn via losstaande maatregelen. Om het innovatiesysteem als geheel beter te laten functioneren moeten interventies en stimulerende maatregelen gericht zijn op het innovatiesysteem als geheel. Het is, aldus de WRR, “tijd voor een systeemperspectief: het bevorderen van goede netwerken, stimulerende reguleringen en ondersteunende instituties; en het formuleren van lange termijn strategieën waarop alle betrokken partijen zich kunnen oriënteren. Die omslag is lastig: product- en marktinterventies zijn gemakkelijker uit te leggen aan een breed publiek, en hebben ook de charme van een hoge mate van concreetheid en daadkracht. Systeeminterventies kosten meer tijd en zijn onzichtbaarder, maar ze leveren wel meer op.”

Wie probeert de aanbevelingen van de WRR te vertalen naar de juridische wereld en stil staat bij de mogelijke rol van wetgeving en regulering in het bepleite denken vanuit innovatiesystemen, ziet zich geconfronteerd met vele vragen. Zo lijkt de boodschap van de WRR te impliceren dat we instrumenten die gericht zijn op stimuleren van markten en tegengaan van marktfalen (mededingings- en aanbestedingsbeleid, intellectuele eigendomsrechten, handelsbepalingen) in samenhang bezien met instrumenten op het terrein van scholing, arbeidsmarktbeleid en ontslagrecht. Dat zal allerminst een eenvoudige opgave zijn. En om het nog complexer te maken: kijken door de lens van innovatiesystemen impliceert dat instrumenten gericht op ondernemingen (vestigingsregelingen, belastingfaciliteiten, etc.) dan ook maar direct in deze analyse betrokken worden. Natuurlijk weten we allen dat het recht zich al lang niet meer manifesteert als een coherent geheel van klassieke vormen van regulering (wetgeving, rechtspraak), maar ook door middel van alternatieve vormen daarvan, zoals soft law, co-regulation en nog andere vormen van governance. Bovendien is sprake van een gelaagde lokale, nationale en internationale rechtsorde, waartussen wisselwerking bestaat. Maar het WRR-perspectief impliceert dat we hier als het ware nog een dimensie aan toevoegen: een scherp oog voor de wisselwerking tussen regulering van zowel markten, arbeid als ondernemingen.

Maar daarmee is nog niet alles gezegd over een mogelijke vertaalslag van het WRR-rapport naar de rol van het recht. Evenzeer een uitdaging zijn de aanbevelingen op het terrein van het onderwijs. “Het verdienvermogen van een land hangt voor een groot deel af van de kennis die de bevolking heeft”, aldus de WRR. Het rapport zet daarom mede in op een stevige hervorming van het onderwijs. Redenerend vanuit de overtuiging dat mensen in staat moeten zijn zich aan te passen aan de telkens wijzigende omstandigheden en eisen van de arbeidsmarkt: “Ons onderwijs vertoont nog veel trekken van een industriële aanpak. Het lijkt nog sterk op een leerfabriek in plaats van een inspirerende leeromgeving, is sterk locatiegebonden, met vaste tijden en met vaste jaarschema’s. (…) Onderwijzers staan nog steeds voor een klas en besteden veel van hun energie aan het overdragen van de lesstof.” Kennis moet daarom niet langer op ‘industriële’ wijze worden overgebracht, maar veel meer op maat en tijds- en plaatsonafhankelijk worden aangeboden.

Wie kijkt naar het rechtswetenschappelijk onderwijs, ziet dat juridische faculteiten de afgelopen jaren het nodige hebben gedaan om hun ‘leerfabriek’ in te ruilen voor meer kleinschalig en mede op competenties gericht onderwijs. Een goede juridische faculteit leert z’n studenten dat het positieve recht voor velerlei uitleg vatbaar is en eenduidige oplossingen niet bestaan omdat ze afhankelijk zijn van interpretatie en maatschappelijke ontwikkelingen. Tegelijkertijd: studenten worden binnen de muren van de universiteit slechts spaarzaam geconfronteerd met de ingewikkelde opdracht het recht z’n rol te geven in een complexe samenleving. Voor de meerderheid van de studenten lijken het privaat-, straf en bestuurrecht als keurig aangeharkte en afgescheiden tuintjes en velen blijken aan het einde van de studie nog onvoldoende in staat om te gaan met de wisselwerking tussen meerdere deelgebieden van het recht.

Terugkerend naar het WRR-rapport. Inzetten op responsiviteit en verdienvermogen impliceert volgens de Raad: afstappen van losstaande maatregelen en redeneren vanuit interventies gericht op het innovatiesysteem als geheel. Voor het recht zou dat kunnen betekenen: meer oog voor de wisselwerking tussen regulering van resp. markten, arbeid en ondernemingen. Voor het juridisch onderwijs valt vanuit deze denkrichting te agenderen: studenten aanleren vooral ook te redeneren vanuit het juridisch systeem als geheel. Kortom, hen in staat stellen voorbij de grenzen van klassieke rechtsgebieden te denken. Met als bagage zowel een uitstekende kennis van juridische dogmatiek als de kunde te redeneren vanuit problemen en ontwikkelingen die de klassieke rechtsgebieden overstijgen.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2013/2300, afl. 40, p. 2797


Bron afbeelding: Images_of Money

Corien Prins

Naam auteur: Corien Prins
Geschreven op: 12 november 2013

Hoogleraar Recht en Informatisering aan de Universiteit van Tilburg

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Minister Kamp is blijven steken bij het misverstand dat innoveren gaat over techniek en wetenschap, en gaat dus onverdroten door met het “topsectorenbeleid” van zijn voorganger. In werkelijkheid gaat innoveren over handel. Google noch Apple vonden nieuwe techniek uit: zij combineerden op het juiste moment beschikbare componenten.

Een Minister van EZ heeft een lastige baan. Want hij moet het werk niet zelf doen: dat is de taak van ondernemers. Maar hij moet wel bevorderen En dan is zo’n Kamp waarachtig niet geselecteerd op ondernemerskwaliteiten: hij is een VVD-apparatsjik die er vooral goed in is zich de Kamer en journalisten van het lijf te houden, kwaliteiten die voor hedendaagse ministers helaas belangrijker zijn dan vakkennis.

Als één ding opvalt in de vergelijking tussen De Polder en Silicon Valley is dat wij hier zo risico-avers zijn. Wie niet waagt die niet wint! En zéker bewindslieden zijn risico-avers, omdat de Kamer focust op fouten in plaats van visie.

Het is schrijnend te zien dat juist de VVD zo’n man als Kamp naar voren schuif. Was de VVD niet bij uitstek de partij van ondernemers? Nu denk ik dat menige ondernemer de VVD de rug heeft toegekeerd, vanwege de huidige profilering van de VVD als allesbehalve liberale partij met focus op veiligheid en buitenlanders. In dat kader heeft Kamp destijds als minister van SZW zich zelfs lijnrecht tegenover ondernemers opgesteld, door te verlangen dat tuinders hardwerkende en goed ingewerkte Roemenen als oogsthulpen zou vervangen door mensen die al zo lang werkloos zijn dat daar wel een steekje aan los moet zijn. Veel ondernemers stemmen tegenwoordig op D66, of uit protest zelfs op de SP.

Niettemin leveren ook andere partijen geen ondernemers aan de politiek. De reden is dat politieke besluitvorming zo’n vreselijke proces is (geworden?) dat echte ondernemers dit graag aan de bewoners van de Haagse “stolp” overlaten.

Er zijn politici die wel kunnen innoveren. Een mooi voorbeeld is de Thaise ex-premier Thaksin, die vooral de arme plattelandsbevolking in zijn land duidelijk rijker maakte, en in de helft van de tijd waarin wij hier één Noord-Zuidlijn of één tramtunnel realiseren, in Bangkok een Skytrain uit, en een metro in de grond stampten, plus een state-or-the-art “Airport Rail Link” naar het nieuwe vliegveld, één van de mooiste ter wereld. Dat geeft een gevoel van dynamiek dat op de hele maatschappij afstraalt. Ja, Thaksin is corrupt, en vergat zichzelf ook niet te verrijken, maar dat is nies bijzonders voor hoge Thaise politici.

Tijd voor een nieuw innovatieplatform? In het vorige (onder Balkenende) zaten toch niet de goede mensen. Maar het is vooral iets wat ministers zelf moeten doen. Ik herinner mij de Amerikaanse business school professor die zei “Strategy is like making love. You must do it yourself!”

Hans Wijers was waarschijnlijk de laatste ondernemer op EZ. Maar hij wist niet hoe snel hij weg moest wezen uit de Haagse slangenkuil, zodra hij dat voor zijn fatsoen kon maken. Idem Jan-Kees de Jager, ook een ondernemer.

Het echte ondernemen moeten we niet leren van toevallig successen zoals de eeuwige Henny van der Most, maar door te kijken naar de structuren in Silicon Valley etc. Alexander Klöpping zette dat mooi op een rijtje in een aantal aan DWDD gelieerde programma’s.
a. zecha schreef op :
Enkele bedenkingen naar aanleiding van het artikel “Verdienvermogen”.
Inhakend op het navolgend citaat uit het artikel: “Evenzeer een uitdaging zijn de aanbevelingen op het terrein van het onderwijs.” wil ik er het volgende aan toevoegen.
Zoals onze na-oorlogse partijvertegenwoordigers naar mijn mening kunnen weten – vermits zij het onderwijs hebben “verbeterd” door onze nationale historische identiteiten te vervangen door de (zeer aan veranderingen onderhevige) maatschappelijke politieke actualiteit (waan van de dag?) in de media – duurde het, niettegenstaande het overvloedig gebruik van AMvB’s en andere wetten en regels, geruime tijd voordat er een algemene verandering (verbetering?) optrad. Deswege ben ik het met haar eens waar zij schrijft: “Wie probeert de aanbevelingen van de WRR te vertalen naar de juridische wereld en stil staat bij de mogelijke rol van wetgeving en regulering in het bepleite denken vanuit innovatiesystemen, ziet zich geconfronteerd met vele vragen.”.
Via een (m.i. overvloedige) wet- en regelgeving kan in onze rechtsstaat wèl de schijn worden gewekt van legitiem en legaal beleid. Maar voor een democratie is het m.i. onvoldoende dat er alléén met meerderheden van partijvertegenwoordigers wordt gewerkt indien niet tevens ook de democratische grondrechten van burgers daadwerkelijk worden gerespecteerd, beschermd en gehandhaafd.

Rapporten van de WRR lijken – evenmin als parlementaire enquetes – in staat te zijn om onze partijvertegenwoordigers hun eigen en hun partijbelangen te laten overstijgen vanwege hun gewone en aangeleerde menselijke eigenschappen en ambities.
a. zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.