Terroristische dreiging

Op 21 juni 2017 maakten de Limburgse media melding van een arrestatie van een 28 jarige man in Heerlen op verdenking van betrokkenheid bij terrorisme. Volgens het OM wordt hij niet verdacht van het plegen of voorbereiden van een aanslag, maar is hij opgepakt vanwege een ‘lopend onderzoek naar terrorisme’.

Op dezelfde dag werd een 18-jarige jongen op verdenking van verspreiding van ISIS propaganda en het instrueren van anderen hoe zij springstof kunnen maken in Utrecht aangehouden en een paar dagen later een 38-jarige vluchteling (met verblijfsvergunning) uit Syrië in het Limburgse Brunssum wegens verdenking van betrokkenheid bij een terroristisch misdrijf. In zijn woning werden een laptop, mobiele telefoons en documenten in beslag genomen. Dat alles in een tijdsbestek van een week, waarin tevens op 28 juni 2017 het wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak terrorisme bij de Tweede Kamer werd ingediend. De persberichten van het OM  brengen de terroristische dreiging wel heel dichtbij en illustreren de gevoelde noodzaak van het kabinet, daartoe aangespoord door het parlement, om het arsenaal aan bevoegdheden en maatregelen, dat de laatste jaren al aanzienlijk is uitgedijd, nog te verbreden. De druk op de overheid is begrijpelijkerwijs groot door de veranderende aard en de toegenomen dreiging van terrorisme in West-Europa waarvan we het afgelopen jaar gruwelijke voorbeelden hebben gezien. Het lijken vooral geradicaliseerde solistische daders en mensen die zijn teruggekeerd uit strijdgebieden in het Midden-Oosten te zijn, die hier aanslagen (willen komen) plegen. De eerste versie van het wetsvoorstel, dat na een consultatieronde aan de Raad van State werd aangeboden, bevatte de volgende serie maatregelen: de strafbaarstelling van het opzettelijk verblijf in een aangewezen terreurgebied, de mogelijkheid om terreurverdachten na de eerste 14 dagen bewaring nog gedurende 30 dagen in voorlopige hechtenis te houden zonder dat er tegen de verdachte ‘ernstige bezwaren’ bestaan; het verruimen van mogelijkheden om DNA-onderzoek te doen bij terreurverdachten zonder dat er sprake is van ernstige bezwaren; het verruimen van mogelijkheden tot oplegging van de bijkomende straf van ontzetting uit het kiesrecht bij een veroordeling voor terroristische misdrijven; het invoeren van een brede aangifteplicht voor een ieder die kennis draagt van terroristische misdrijven en het strafbaar stellen van training voor terrorisme en (training) voor het financieren van terrorisme, dat nu al afzonderlijk strafbaar is, als vormen van voorbereiding en vergemakkelijking van een terroristisch misdrijf. De voorgestelde strafbaarstellingen staan in een steeds verder verwijderd verband van de eigenlijke terroristische misdrijven zoals het plegen van aanslagen of de voorbereiding daarvan. Zo wordt in het oorspronkelijke wetsvoorstel alleen al het verblijf in een buitenlands terreurgebied of het niet doen van aangifte als je weet dat iemand een ander ‘getraind’ heeft hoe terrorisme kan worden gefinancierd, strafbaar. Daarnaast wordt het gemakkelijker een terrorismeverdachte – waarbij de kring van verdachten die iets met terrorisme te maken hebben al heel ruim is – een langere tijd (in totaal 44 dagen) in voorlopige hechtenis te houden ook al is er slechts sprake van een verdenking en zijn er geen ernstige bezwaren (lees: een onderbouwing van de verdenking door concrete feiten en omstandigheden).

De Raad van State was in zijn advies bijzonder kritisch en achtte de inbreuken op een aantal fundamentele grondrechten waaronder het recht op (bewegings)vrijheid niet gerechtvaardigd. Volgens de Raad van State blijkt nergens uit waarom de bestaande strafrechtelijke en bestuurlijke maatregelen, zoals bijvoorbeeld het bestuurlijke uitreisverbod naar terreurgebieden dat sinds 1 maart 2017 kan worden opgelegd en welk verbod ook strafrechtelijk is gesanctioneerd, niet voldoende mogelijkheden bieden. Ook nu al kan naar uitreizigers die zich willen aansluiten bij een terroristische strijdgroep een strafrechtelijk onderzoek worden ingesteld en kan er bij een redelijke verdenking worden ingegrepen. De noodzaak de toepassing van de voorlopige hechtenis te verruimen ziet de Raad van State ook niet in. Dat er vaak nog onderzoek naar inbeslaggenomen gegevensdragers moet worden verricht die gegevens in vreemde talen bevatten of dat er gewacht moet worden op de beantwoording van een rechtshulpverzoek vindt de Afdeling weinig overtuigend en in ieder geval onvoldoende zwaarwegend om een langere vrijheidsbeneming zonder dat er sprake is van ernstige bezwaren te kunnen rechtvaardigen.

De fundamentele kritiek van de Raad van State is door de regering niet in de wind geslagen. In het wetsvoorstel dat nu bij de Tweede Kamer ligt, komt de strafbaarstelling van verblijf in een door een terroristische organisatie gecontroleerd gebied niet meer voor, mede omdat inmiddels gebleken is dat de vervolging van Syriëgangers, ook met de bestaande middelen, voorspoedig lijkt te verlopen. Wel is vastgehouden aan de mogelijkheid om de voorlopige hechtenis met 30 dagen te verlengen zonder dat er sprake is van ernstige bezwaren. Het argument hiervoor is dat uit het onderzoek naar de aanslagen in Parijs en Brussel gebleken is dat soms pas na weken van intensief onderzoek duidelijkheid ontstaat over de rol van bepaalde verdachten, bijvoorbeeld nadat de opsporingsinstanties hebben kunnen doordringen tot versleutelde informatie. In een dergelijke situatie wil men niet het risico lopen dat de verdachte wegens het ontbreken van ernstige bezwaren in de tussentijd moeten worden vrijgelaten.

Het lijkt erop dat de grens van aanvaardbaarheid van repressieve maatregelen ter voorkoming van terroristische aanslagen wel is bereikt. Nederland behoort op het gebied van contra-terrorismeregelgeving tot de strengste landen van Europa. Maar de cruciale vraag blijft of de voorgestelde maatregelen helpen onze samenleving veiliger en harmonieuzer te maken. Dan gaan mijn gedachten weer terug naar de 28 jarige man die vast zit in Heerlen, die geen verdachte is van het plegen van aanslagen, maar kennelijk wel in een lopend terrorismeonderzoek in het vizier is gekomen. Als nu na anderhalve maand blijkt dat hem niets verweten kan worden, zou dat niet ook radicalisering in de hand kunnen werken?

 

Dit Vooraf is ook verschenen in NJB 2017/1455, afl. 27.

 

Bron afbeelding: Wenchieh Yang

 

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 4 juli 2017

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

ReinierBakels schreef op :
Het is niet "politiek correct" om begrip te hebben, maar het zou heel praktisch zijn te proberen ze te begrijpen.
De zelfmoordterrorist brengt niet alleen "overlast", hij geeft ook blijk zijn leven te willen geven voor ... ja waarvoor eigenlijk?

We zitten in een vicieuze cirkel van wederzijde haat tussen autochtonen en moslims.

Misschien zou er - uit overweging van symmetrie - ook een aangifteplicht moeten komen jegens radicaliserende islamhaters.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.