Prejudiciële samenwerking en dialoog

De prejudiciële verwijzingsprocedure is volgens het Hof van Justitie van de EU een samenwerking en een dialoog tussen rechters. Die dialoog kan misschien beter.

Als nationale rechters prejudiciële vragen stellen aan het HvJ EU, kunnen de partijen, de Commissie en alle Lidstaten opmerkingen maken. In ongeveer de helft van de gevallen komt er daarna nog een conclusie van één van de acht advocaten-generaal bij het HvJ EU, waar echter geen van de genoemden meer (officieel) op kan reageren. Het Hof stelt soms wel schriftelijke vragen aan de partijen en aan de betrokken Staat, maar bij mijn weten niet aan de verwijzende nationale rechter. Op de zitting van het Hof worden wel de partijen in het hoofdgeding en de interveniënten uitgenodigd, maar niet de verwijzende rechter.

Van insiders hoor ik dat het wel regelmatig voorkomt dat nationale rechters naar aanleiding van de opmerkingen of van de conclusie brieven aan het Hof schrijven. Als andere betrokkenen er volgens de verwijzende rechter met het geschil vandoor gaan of de discussie een kant op sturen die hem niet voor ogen stond, wil hij het Hof nog wel eens duidelijk proberen te maken hoe de feiten wél zijn en op welke vragen hij wél antwoord had gewild. Ik begrijp dat die brieven officieus maar aandachtig door het Hof worden gelezen en dat lijkt mij heel goed. Antwoorden op niet-bedoelde vragen en niet op de feiten passende beschouwingen hebben weinig zin. Het Hof zelf legt prejudiciële vragen die hij hypothetisch acht, naast zich neer, zoals recent in zaak C-66/14, Finanzamt Linz, over de samenloop van mogelijke staatssteun en beperking van de vestigingsvrijheid. ’s Hofs beleid op dit punt is overigens wisselend, want als de wellicht hypothetische prejudiciële vraag het Hof uitkomt (hij er wel iets over wil zeggen), dan heet het dat de nationale rechter het beste kan beoordelen of de vraag relevant is voor het bij hem lopende geschil en dat, nu die rechter dat kennelijk vond, hij beantwoord moet worden.

In Finanzamt Linz ging het om de Oostenrijkse belastingregel dat bij verwerving van een deelneming in een dochtervennootschap afgeschreven mag worden op de goodwill (de winstverwachting) begrepen in de aankoopprijs, maar alleen als de dochter opgenomen wordt in een (binnenlandse) fiscale eenheid met de verwervende moedervennootschap. Grensoverschrijdende deelnemingen zijn daardoor uitgesloten van afschrijving. De vraag van de Oostenrijkse rechter naar het mogelijke staatssteunkarakter van die regel kwam het Hof wellicht niet uit omdat het hoger beroep van de Commissie nog loopt tegen de uitspraken van het Algemene Hof in de zaken T-219/10 Autogrill en T-399/11 Santander, over het omgekeerde geval: een Spaanse regeling die juist alleen afschrijving toelaat op goodwill begrepen in de aankoopprijs van buitenlandse dochtervennootschappen. Volgens de Commissie is dat Staatssteun, nl. een fiscale exportsubsidie voor kapitaal geïnvesteerd in buitenlandse dochters.

Advocaat-generaal Kokott vond het mogelijke staatssteunkarakter van de Oostenrijkse regeling wel degelijk hoogst relevant en ging er uitgebreid op in, en ook op de verhouding tussen de staatssteunregels en de verkeersvrijheden. Het Hof volstond met de overweging dat áls de beperking tot binnenlandgevallen al staatssteun zou zijn, de belanghebbende, die een buitenlandse vennootschap had gekocht, daar toch geen beroep op kon doen, nu niemand zich kan beroepen op onrechtmatige steun. Waar het hier echter om gaat, is dat de Oostenrijkse rechter de vraag naar mogelijke staatssteun (naast mogelijke schending van de vestigingsvrijheid) kennelijk van ambtswege stelde, waardoor een partijdiscussie in het hoofdgeding daarover ontbrak en niet meteen duidelijk was waar de rechter met die vraag heen wilde. Die rechter zit nu misschien omhoog met een niet-gegeven antwoord dat hij vanuit zijn optiek mogelijk wél nodig heeft om het geschil te beslechten. Hij kan natuurlijk de zaak weer terug sturen, maar dat leidt tot een dialoog die anderhalf jaar per reactie duurt. Dat moet sneller kunnen.

Een ander voorbeeld: in de recente gevoegde zaken C-10/14, C-14/14 en C-17/14, Société Générale, Miljoen en X., heeft de Hoge Raad een prejudicieel antwoord gekregen over afboeking van meegekocht dividend bij aankoop van aandelen dat tot gevolg heeft dat binnenlandse kopers van aandelen geen belasting betalen over meegekocht dividend, terwijl niet-ingezeten kopers wél (dividend)belasting betalen over meegekocht dividend. Dat is niet waarschijnlijk dat dat gevolg de bedoeling van het Hof was. Nu kan ook de Hoge Raad wel opnieuw vragen gaan formuleren, met rekenvoorbeelden, om het HvJ EU te vragen of hij het wel zeker weet, gezien dit vreemde resultaat, maar zou het niet veel efficiënter geweest zijn als ter zitting van het HvJ in die zaken een lid van de Hoge Raad – en in de zaak Finanzamt Linz een lid van het Oostenrijkse gerecht – aanwezig was geweest en ter plekke misverstanden, afdwalingen en onjuiste feitelijke veronderstellingen had kunnen corrigeren en de (effecten van de) nationale regelingen had kunnen toelichten in het licht van de gemaakte opmerkingen en vragen van het HvJ?

Ik denk dat samenwerking en dialoog een stuk beter gaan als zij geschieden tussen deelnemers die elkaar begrijpen en de gesprekspartners in de tijd niet anderhalf jaar uiteen zitten. Aanwezigheid en spreektijd van de vragensteller op de zitting van het Hof in prejudiciële procedures zou een echte dialoog kunnen opleveren. Idealiter zou de vragensteller ook moeten kunnen reageren op een eventuele conclusie van de advocaat-generaal, maar dat is lastig als de partijen daar niet (officieel) op kunnen reageren, met name als de prejudiciële vragen afkomstig zijn uit een lidstaat zoals het Verenigd Koninkrijk, waar de vraag of en zo ja welke vragen verwezen worden, vooral aan de partijen overgelaten wordt.


Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2015/2056, afl. 41.

 

Bron afbeelding: Jurgen Appelo

Naam auteur: Peter Wattel
Geschreven op: 23 november 2015

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar Europees belastingrecht Universiteit van Amsterdam

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.