Onveilige bestuurlijke anti-terreurmaatregelen

Het kabinet heeft een pakket nieuwe anti-terreurmaatregelen aangekondigd. Een onderdeel daarvan is een concept wetsvoorstel dat voorziet in bestuurlijke maatregelen ter verhindering van mogelijke aanslagen en van de aansluiting van Nederlandse ingezetenen bij buitenlandse (jihadistische) terreurgroepen of de (financiële) ondersteuning daarvan.

De Minister van Veiligheid en Justitie krijgt in het voorstel de bevoegdheid om een meldplicht, gebiedsverbod of een contactverbod op te leggen. De naleving daarvan wordt strafrechtelijk gesanctioneerd waarbij voorlopige hechtenis mogelijk is. Deze maatregelen kunnen worden ingezet wanneer dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid en een persoon op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan. De minister kan ook een verbod opleggen het Schengengebied te verlaten indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon zich in het buitenland wil aansluiten bij een terroristische organisatie. De minister kan deze maatregelen ten hoogste voor de duur van zes maanden opleggen, maar verlenging is steeds mogelijk. Tegelijkertijd moet hij steeds ambtshalve bezien of er aanleiding is de maatregel in te trekken. Naast deze bevoegdheden van de minister kunnen bestuursorganen vergunningen, subsidies, erkenningen en ontheffingen intrekken of niet verlengen wanneer de begunstigde op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan én ernstig gevaar bestaat dat deze begunstigende beschikkingen voor dat doel worden gebruikt. Rechtsbescherming is steeds voorzien bij de bestuursrechter.

Veel werk heeft het opstellen van dit voorstel waarschijnlijk niet gekost nu het vrijwel gelijkluidend is aan een wetsvoorstel dat in 2011 door het toenmalige kabinet is ingetrokken. Dit voorstel werd destijds heftig bekritiseerd omdat het een te vergaande inbreuk zou maken op de grondrechten waarbij ook de vraag van de noodzakelijkheid een belangrijke rol speelde. Bestaat er anno 2015 reden om daar anders tegenaan te kijken?

Om te beginnen kan worden vastgesteld dat er nogal wat grondrechten in het geding zijn, waarvan de bewegingsvrijheid, het recht op privéleven en (bij begunstigende beschikkingen) het eigendomsrecht de belangrijkste zijn. Tegelijk beoogt het voorstel ook een grondrecht te beschermen, namelijk het recht op leven. Veel van de kritiek die in 2011 naar voren werd gebracht is nog steeds steekhoudend. De bepalingen zijn ruim en vaag geformuleerd zodat de voorzienbaarheid van de maatregel lastig is: wanneer en tegen wie kan de overheid de maatregelen inzetten? Verder is de bron van informatie die leidt tot de inzet van de maatregelen vaak een inlichtingen- en veiligheidsdienst. Dergelijke informatie is met name voor de betrokkene beperkt of niet toegankelijk waardoor een rechter moeilijk kan toetsen of de inzet terecht is: waartegen moet een betrokkene zich precies verweren? Problematisch is ook de mogelijkheid om af te zien van het horen van betrokkenen alvorens de maatregel op te leggen. Wat betreft de rechtsbescherming komt daar nog bij dat er sprake is van een ruime bestuurlijke beleids- en beoordelingsvrijheid bij de inzet van maatregelen, zodat de kans groot is dat de rechter zich bij de toetsing terughoudend zal opstellen. Enige compensatie op dat laatste punt wordt geboden nu in de toelichting bij het voorstel is aangegeven dat er een zware motiveringsplicht rust op het bestuursorgaan. Aan de noodzakelijkheid van de maatregelen kan net als in 2011 worden getwijfeld. Het strafrecht kent immers ook mogelijkheden ter preventie van misdrijven met een terroristisch oogmerk die ook kunnen worden ingezet wanneer er nog geen concrete verdenking is, hoewel deze niet zo ver gaan als nu wordt voorgesteld.

Genoeg redenen dus om af te zien van invoering van de beoogde maatregelen, maar tegelijkertijd is er ook wel het een en ander veranderd ten opzichte van 2011. Met name de deelname en steun van Nederlandse ingezetenen aan (jihadistische) strijd in het buitenland en de terugkeer van dergelijke strijders naar Nederland stellen ons voor ernstige veiligheidsuitdagingen. Deze zouden de inzet van de voorgestelde maatregelen in bepaalde gevallen mogelijk kunnen rechtvaardigen waarbij met name van belang is dat deze eerder dan het strafrecht kunnen worden ingezet en aldus een grotere preventieve werking zouden kunnen hebben. Dit overigens alleen wanneer een zachtere aanpak, bijvoorbeeld via resocialisatietrajecten, waarvoor overigens meer aandacht moet komen, geen soelaas biedt.

Wanneer er om deze reden voor gekozen zou worden om het voorstel toch door te zetten, moet er wel een forse verbetering plaatsvinden aan de waarborgkant. Om te beginnen zou moeten worden vastgelegd dat de (bestuurs)rechter en niet een bestuursorgaan de maatregel oplegt. Dit op verzoek van het bestuursorgaan en na het horen van de betrokkene. Het gaat om dusdanig zware ingrepen in de belangen van individuen dat dit passend is. Deze rechter zou verder een eigen oordeel moeten vellen over de vraag of inzet van de maatregel is toegestaan en zich niet terughoudend moeten opstellen terzake van het oordeel van het bestuursorgaan. Verder moet bij het gebruik van geheime informatie de rechter daarin volledig inzage krijgen terwijl de positie van betrokkene op dat punt moet worden gewaarborgd door de inzet – naar Engels model – van zogenaamde special advocates. Deze moeten de geheime informatie kunnen inzien en daarop namens betrokkene kunnen reageren maar zij mogen de informatie niet met hun cliënt delen.

Zonder deze extra waarborgen is het risico te groot dat burgers ten onrechte maatregelen opgelegd krijgen en aldus aan onveiligheid van de zijde van de overheid worden blootgesteld. Een dergelijke onveiligheid zou radicalisering tot gevolg kunnen hebben die op haar buurt weer tot nieuwe veiligheidsrisico’s leidt. Daarmee zouden we het paard achter de wagen spannen.

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2015/812, afl. 17.

 

Bron afbeelding: Markus Daams

Tom Barkhuysen

Naam auteur: Tom Barkhuysen
Geschreven op: 28 april 2015

Advocaat-partner bij Stibbe en hoogleraar staats- en bestuursrecht aan de Universiteit Leiden

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
De Tweede Kamer vindt kennelijk dat hun politieke collega’s in de lagere bestuurlijke echelons nog meer bevoegdheden moeten krijgen om onder vlag van “terrorisme bestrijding” burgers te mogen veroordelen en te bestraffen en zodoende in de praktijk onze democratisch onafhankelijke rechters te “ontwijken”. Dat dergelijke wetgeving bijdraagt aan de democratische kwaliteit van onze rechtsstaat valt ernstig te betwijfelen. In totalitair bestuurde rechtsstaten is het aanwinst voor het regime.

Overigens werd onder deze vlag en langs deze weg reeds vele van onze burgerlijke grondrechten en vrijheden ingrijpend beperkt. Zoals bijvoorbeeld ons recht op onze privacy, op onze vrije mobiliteit, meningsuiting en demonstratie; op onze vrijheid om onderdak, voedsel, kleding, werk en onderwijs te verlenen aan zogenoemde “illegale” kinderen en volwassenen die in onze samenleving op straat zijn gezet.
Ons land spant in de EU reeds de kroon ter zake van het “in voorlopige hechtenis” nemen en houden van burgers.
Frits Jansen schreef op :
Iemand het recht ontzeggen zijn land (c.q. het Schengen gebied) te verlaten is een ingrijpende maatregel, die moet worden getoetst aan art. 2 van het Vierde Protocol bij het EVRM. Het is al opmerkelijk dat mensen uit niet-Schengen-landen zelfs als zij geen visumplicht hebben door de marechaussee worden gevraagd wat ze hier komen doen, en speciaal of ze hier soms komen werken, of ze genoeg geld bij zich hebben, en of ze een retourticket hebben. De wet staat dat weliswaar toe, maar ik weet niet of de wetgever bedoelde dat zulke vragen ook worden gesteld als er weinig reden tot twijfel is.
Maar het moet in elk geval niet zo worden dat iedereen die het Schengen-gebied wil *verlaten* op soortgelijke wijze aan de tand wordt gevoeld. Hier kunnen de Amerikanen een voorbeeld zijn: wie de VS verlaat wordt niet door een grensbewaker gecontroleerd. De kaart die je krijgt bij inreis wordt door de luchtvaartmaatschappij ingezameld.

Principieel lijkt mij de vraag of Nederland als staat een oordeel toekomt over "IS", zolang die staat geen misdrijven pleegt op Nederlands grondgebied. We zijn niet in oorlog met IS. En menige "erkende" bevrijdingsbeweging begon als een terreurbeweging, tot de Watergeuzen toe. De Beeldenstorm is wel vergeleken met de daden van de Taliban.

Ik ben zeker geen fan van IS, maar ik betwijfel of er wel een geldige grondslag is om iemand te verbieden zich bij IS aan te sluiten. Een praktisch punt is dat dit ook averechts kan werken. Als hier een "haatimam" komt is het land in rep en roer, maar wij geven voortdurend blijk van onze haat jegens IS. Natuurlijk, je kunt zeggen dat de haatimams ongelijk hebben en dat wij gelijk hebben - maar dat is naar onze maatstaven. Een WC-Eend geval dus.

Het is beter dat er energie wordt gestoken in het begrijpen van IS en het naventant handelen (begrijpen is natuurlijk niet hetzelfde als "begrip hebben voor").

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.