Onder druk wordt alles vloeibaar

Afgelopen week vond de zitting plaats van de Grote Kamer van het EHRM in de zaak Ibrahim e.a. tegen het Verenigd Koninkrijk.1 De zitting maakte onderdeel uit van het programma van een conferentie die ik in Straatsburg bijwoonde en was gelet op de recente aanslagen in Parijs actueler dan ooit. De zaak vindt zijn oorsprong in de zelfmoordaanslagen die op 7 juli 2005 in het openbaar vervoer van Londen werden gepleegd. 52 mensen kwamen om en honderden raakten gewond.

Twee weken later probeerden vier mannen zichzelf in de metro op te blazen. Dat mislukte en beveiligingscamera’s maakten zichtbaar dat zij zich uit de voeten maakten, de rugzakken waarin de bommen zaten achterlatend. Na een klopjacht werden drie van hen gearresteerd. In de daarop volgende verhoren werd hen op grond van de Terrorist Act 2000 het recht op bijstand van een advocaat tijdelijk ontzegd vanwege de veiligheidssituatie die onmiddellijke ondervraging dringend noodzakelijk maakte: een van de aanslagplegers liep nog vrij rond en men wist niet of er nog meer aanslagen voorbereid waren. Een bloedstollend ticking bomb scenario. Een vierde man werd aanvankelijk als getuige gehoord. Tijdens dat verhoor begon hij zichzelf te belasten. Hij had een van de aanslagplegers bij hem thuis verborgen. Desondanks besloot de politie hem niet de cautie te geven maar werd het verhoor gedurende tien uren voortgezet, de man in de waan latend dat hij nog steeds als getuige werd gehoord en na het verhoor gewoon naar huis zou kunnen. De vier werden veroordeeld waarbij mede gebruik werd gemaakt van de verklaringen die zij  tijdens de ‘veiligheids-’ en ‘getuigenverhoren’ hadden afgelegd. Bij het EHRM klagen de vier dat bij de veiligheidsverhoren ten onrechte geen advocaten waren toegelaten toen zij beschikbaar waren en dat de verklaringen die buiten aanwezigheid van advocaten respectievelijk zonder cautie waren afgelegd, hadden behoren te worden uitgesloten van het bewijs. In eerste instantie oordeelde de vierde kamer van het EHRM de klachten ongegrond vanwege de exceptionele veiligheidsdreiging en omdat op de klagers geen ongeoorloofde druk was uitgeoefend. Volgens de kamer rechtvaardigden de omstandigheden een uitzondering op het uitgangspunt dat iedere verdachte vanaf het moment van aanhouding recht heeft op bijstand van een advocaat.


Dat het hier gaat om een belangrijke interpretatie van de Salduz regels blijkt uit het feit dat de zaak op 1 juni 2015 werd verwezen naar de Grote Kamer. Op de zitting stonden drie vragen centraal. In de eerste plaats of er ‘compelling reasons’ waren om het recht op advocatenbijstand tijdens de verhoren op te schorten. Ten tweede, als vanwege de uitzonderlijke situatie mag worden begonnen met verhoren, of advocaten dan zodra zij beschikbaar zijn moeten worden toegelaten. En tot slot of de – zonder rechtsbijstand – verkregen informatie voor het bewijs in een daaropvolgende strafzaak mag worden gebruikt. Al deze punten hangen samen met de vraag hoe de overweging van de Grote Kamer in het Salduz-arrest: ‘Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction – whatever its justification – must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6’ moet worden uitgelegd.


Op de zitting bleek dat iedereen – inclusief de klagers – het er over eens was dat de terroristische dreiging die zich na de aanhouding van de klagers had gemanifesteerd zonder meer rechtvaardigde dat de politie onmiddellijk, zonder advocaten, kon beginnen met de veiligheidsverhoren. Maar over de vraag of de advocaten hadden moeten worden toegelaten zodra zij beschikbaar waren en of hetgeen verklaard was in afwezigheid van de advocaten (of zonder de cautie) voor het bewijs mocht worden gebruikt, liepen de meningen van de klagers en de Britse regering uiteen. Interessant zijn in dat verband de vragen die het hof partijen stelde. Bijvoorbeeld of de Britse regering vond dat een terroristische dreiging als zodanig een beperking van de rechten zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM kan rechtvaardigen; of de regering kon uitleggen welk belang gediend was met het weren van de advocaten tijdens de veiligheidsverhoren, gelet op het ook door de Britse regering erkende zwijgrecht en het recht van verdachten zichzelf niet (ongewild) te belasten; of partijen voorbeelden konden geven van gevallen waarin het gebruik voor het bewijs van zelf-incriminerende verklaringen afgelegd zonder bijstand van een advocaat, géén schending van het recht op een eerlijk proces zou opleveren. ‘Geen’ antwoordden de klagers op deze laatste vraag; ‘laat dat over aan de nationale rechter’ vond de regering. Op de achtergrond speelde ook de Richtlijn 2013/48/EU over het recht op toegang tot een advocaat een rol, die een tijdelijke afwijking van het recht op advocaten-
bijstand toelaat als het leven, de vrijheid of de fysieke integriteit van personen bedreigd worden. In dat geval moet de verdachte wel op zijn zwijgrecht worden gewezen en mag het verhoor uitsluitend gebruikt worden om informatie te krijgen ter voorkoming van toekomstige calamiteiten. Volgens de richtlijn houdt ieder misbruik van deze afwijking een onherstelbare schending van de rechten van de verdediging in.


Wij weten niet hoe degenen die zijn aangehouden na de Parijse aanslagen zijn behandeld tijdens hun verhoren en of daar advocaten bij zijn geweest. Het zal de meesten op dit moment ook niet echt iets kunnen schelen. Toch is rechtsbijstand juist in situaties waar de politie onder grote druk staat en verhoren kunnen ontsporen het meest urgent, ook in het belang van de integriteit van het strafproces. Juist dán zouden advocaten niet mogen worden buitengesloten. De Grote Kamer staat voor de moeilijke maar belangrijke uitdaging van ‘hard cases’ geen ‘bad law’ te maken.

 

Dit Vooraf is ook gepubliceerd in NJB 2015/2106, afl. 42.

 

Bron afbeelding: Richard Wilkinson

 

1. Zitting 25 november 2015 inzake EHRM 16 december 2014, nr. 50541/08, Ibrahim e.a.
vs. Verenigd Koninkrijk.

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 30 november 2015

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Gingen er in het perfide Albion" geen stemmen op om het EVRM maar op te zeggen? Ook in Nederland wordt met name in VVD kringen bepleit dat beweerdelijk verouderde EVRM maar op te zeggen.

Zegt het gezonde volksgevoel niet dat terroristen en andere vreselijke criminelen door hun daden hun recht op een eerlijk proces verspeeld hebben? Moet dat gezeur niet afgelopen zijn dat je een verdachte geen dader mag noemen voor hij veroordeeld is?

Onzin natuurlijk allemaal. Vinden juristen. Ik ook. Maar populisten hebben al lang de buik vol van juristen.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.