Onafhankelijke rechtspraak

De rechtspraak heeft het moeilijk, zo kopten de kranten afgelopen week naar aanleiding van het rapport van de Commissie Visitatie Gerechten 2018 dat op 22 maart 2019 uitkwam.1 Kort gezegd worden er drie (samenhangende) problemen gesignaleerd: te hoge werkdruk door structurele krapte aan rechters en ondersteunend personeel; de Raad voor de rechtspraak richt zich meer op beheersing van kosten dan op bescherming van publieke waarden van de rechtspraak; gebrek aan aandacht en samenwerking voor kwaliteitsverbetering binnen de gerechten.

Het is allemaal niet nieuw, maar dit keer empirisch onderbouwd. Duidelijk is dat er structureel meer geld bij moet en dat er nood is aan een gedeelde visie over de kerntaak van de rechtspraak. En dat laatste omvat méér dan door bekostigingssystematiek gedreven management. Als het zo door gaat, bestaat er volgens het rapport de kans dat er van buiten wordt in­gegrepen, dan roept de rechtspraak ‘aantasting van de organisatorische onafhankelijkheid over zich af.’ Naar wat onder die aantasting precies moet worden begrepen, laat het rapport de lezer raden. Maar dreigend is het perspectief wel, want organisatorische onafhankelijkheid is nauw verbonden met de onafhankelijkheid van de rechtspraak als zodanig.

De situatie in Nederland is (nog lang) niet vergelijkbaar met die in Hongarije en Polen waar de rechtspraak haar onafhankelijkheid dreigt te verliezen, vooral door ingrijpen van de executieve in de samenstelling van de rechterlijke macht, maar alarmerend is de situatie zeker. Ook het structureel afknijpen van financiering vormt op den duur een bedreiging voor de onafhankelijkheid.
In dat verband vraagt een opmerkelijk arrest dat het EHRM op 12 maart jongstleden in de zaak van Guðmundur Andri Ástráðsson tegen IJsland2 wees, om aandacht. Het gaat in die zaak om de benoemingsprocedure van rechters, iets anders dus, maar indirect gaat het arrest ook over de relatie tussen de politiek en de rechtspraak.

In 2017 werd in IJsland een nieuw gerechtshof (Court of Appeal) ingesteld met 15 rechters. De wervingsprocedure was in handen van een onafhankelijke commissie van vijf experts, afkomstig uit de raad voor de rechtspraak, advocatuur, het parlement en de Hoge Raad, die naast een lid ook de voorzitter leverde. Er was een lijst van kwalificaties opgesteld aan de hand waarvan de kandidaten werden gescoord en volgens een regeling die deel uitmaakt van de IJslandse wet op de rechterlijke organisatie, moet de minister in beginsel de kandidaten benoemen die de commissie het meest gekwalificeerd acht. De minister kan daarvan afwijken, maar heeft daarvoor de toestemming van het parlement nodig. Uit de 37 kandidaten selecteerde de commissie er 15, conform het aantal zetels in het hof. De minister wilde kunnen kiezen uit 20 kandidaten. De commissie weigerde hierin mee te gaan, waarop de minister zelf vier kandidaten uit de lijst van 15 verving door vier andere kandidaten die lager in de rangorde van de commissie waren geëindigd. De meerderheid van het parlement keurde de benoemingen door de minister goed. Dat leidde tot veel (politieke) commotie en procedures waarbij twee niet benoemde kandidaten door de IJslandse Hoge Raad een vergoeding kregen toegekend wegens reputatieschade, omdat de benoemingsprocedure niet correct was verlopen. De zaak werd bij het EHRM aanhangig gemaakt door Guðmundur Andri Ástráðsson, die door het hof, waarin één van de door de minister benoemde rechters zat, voor een verkeersdelict werd berecht. Hij stelde in strijd met art. 6 EVRM te zijn veroordeeld door een gerecht dat niet conform de wet was samengesteld. Dit verweer was door de IJslandse nationale instanties
verworpen. Al zaten er wat haken en ogen aan de benoemingsprocedure, daardoor was zijn recht op een eerlijk proces niet geschonden.

Het EHRM vindt de klacht met 5 tegen 2 stemmen gegrond. Bij zijn algemene overwegingen betrekt het EHRM dat de term ‘established by law’ in art. 6 lid 1 EVRM moet verzekeren ‘that the judicial organisation in a ­democratic society does not depend on the discretion of the executive, but that it is regulated by law emanating from Parliament’. Dit uitgangspunt is nauw verbonden met de de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak die als zodanig een integraal onderdeel vormen van ‘the rule of law in a democratic society’. Als bij de samenstelling van een gerecht flagrant in strijd wordt gehandeld met de wettelijke regeling die geldt voor benoemingen, dan levert dat op zichzelf strijd met art. 6 lid 1 op, los van de vraag of daardoor het recht op een eerlijk proces van een verdachte al dan niet geschonden is. Het EHRM roept verder in herinnering dat de notie van scheiding van machten tussen de executieve en de rechtspraak en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in zijn jurisprudentie van de afgelopen tijd in belang is toegenomen en eindigt stevig met de overweging:

The process was therefore to the detriment of the confidence that the judiciary in a democratic society must inspire in the public and contravened the very essence of the principle that a tribunal must be established by law, one of the fundamental principles of the rule of law. The Court emphasises that a contrary finding on the facts of the ­present case would be tantamount to holding that this ­fundamental guarantee provided for by Article 6 § 1 of the Convention would be devoid of meaningful protection.’

Deze uitspraak kan als een hart onder de riem worden beschouwd van de aanbevelingen van de Commissie Visitatie Gerechten om publieke waarden van de rechtspraak, vrijheid, gelijkheid en rechtvaardigheid, die ondergesneeuwd zijn geraakt in de managementfilosofie van de afgelopen jaren, weer nieuw leven in te blazen. Deze publieke waarden moeten de maatstaf voor noodzakelijke veranderingen zijn om de rechtspraak als een professionele, onafhankelijke en gezaghebbende derde staatsmacht in stand te houden.

 

Dit Vooraf is gepubliceerd in NJB 2019/636, afl. 12

 

  1. Rapport ‘Goede rechtspraak, sterke rechtsstaat’ van de vierde visitatiecommissie gerechten 22 maart 2019.
  2. EHRM 12 maart 2019, nr. 26374/18.
Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 25 maart 2019

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.