Naschrift

Bastiaan Rijpkema vindt mijn interpretatie van het fenomeen soevereiniteit vaag. In dit naschrift nog een korte poging om het begrip te verhelderen.

Wat soevereiniteit betekent, wordt mooi verwoord door het Duitse Constitutionele Hof. De Duitse soevereiniteitsbepaling, artikel 20 Grundgesetz, maakt volgens dit Hof de aanwezigheid van een verfasster politischer Primärraum noodzakelijk.1 Zo rechtlijnig als door het Duitse Hof wordt niet in alle lidstaten over soevereiniteit gedacht. Maar de gedachte dat een democratie behoefte heeft aan verfasster politischer Primärraum valt niet zo makkelijk onderuit te halen.2 Is in een democratie onduidelijk welke politieke gemeenschap als referentiepunt fungeert ter verklaring van de constitutionele orde, dan kan troebel worden wat precies de betekenis is van een norm. Een historisch voorbeeld: welke politieke gemeenschap schuil ging achter het We the People uit de preambule van de Amerikaanse constitutie was de inzet van een serie constitutionele conflicten voorafgaande aan de Amerikaanse Burgeroorlog. Was dat We the American People of was dat We the People of the several states? Het lijkt misschien triviaal, maar het antwoord hierop was essentieel voor de beantwoording van de vraag of secessie was toegestaan.

Evenals recht niet zonder politiek kan, kan politiek echter ook niet zonder recht. We the People heeft de Amerikaanse grondwet nodig om, bijvoorbeeld via het Congres, te kunnen spreken; bestaat op een bepaalde manier zelfs pas vanaf het moment dat de constitutie vertelt dat zij is gesticht door We the People.3 Vandaar het bijvoeglijk naamwoord ‘verfasster’: zonder constitutionele orde kunnen er geen politieke besluiten worden genomen. Anders dan het Duitse Hof meent, is evenwel niet vanzelfsprekend waar het voorvoegsel ‘Primär’ naar verwijst. De dialectiek tussen recht en politiek maakt soevereiniteit tot een kwetsbaar begrip. Wat namelijk als een claim op constitutionele autoriteit ten aanzien van een bepaalde rechtsorde ook op een andere plek wordt geuit, zoals in de Verenigde Staten gebeurde? Iets dergelijks is volgens mij ook aan de hand in Europa. De EU wordt beheerst door twee concurrerende soevereiniteitsvertogen: één die het zelfbeschikkingsrecht van de lidstaatvolkeren als premisse heeft, en één die aanstuurt op een politieke gemeenschap van Unieburgers.4

Het bestaan van twee concurrerende soevereiniteitsvertogen verklaart waarom in het integratieproces tegenstrijdige ontwikkelingen aan elkaar parallel lopen. Hierdoor kan er sprake zijn van federalisering, maar is ook het omgekeerde waar en valt eveneens een trend van confederalisering waar te nemen. Rijpkema vindt dat lastig om te bevatten. Om het ongemak hierover te maskeren, kiest hij voor de vlucht naar voren. Mijn conclusies zijn voor hem ‘platitudes’ en ik zou eerder opgeworpen vragen niet beantwoorden. Rijpkema beseft echter onvoldoende dat een nationaal soevereiniteitsvertoog niet per se hoeft uit te monden in de ‘terugheveling’ van bevoegdheden, maar ook gepaard kan gaan met Europese samenwerking op gebieden die voorheen nog buiten het bereik van de EU lagen. De vraag waarvoor we gesteld staan is niet wel of geen Europeanisering, maar welk type Europeanisering.

Mr. dr. J.W.C. van Rossem is universitair docent staatsrecht aan de Universiteit Utrecht en promoveert in juni op een proefschrift over soevereiniteit en Europese integratie.

 

1. BVerfG 30 juni 2009, 123, 167 (Lissabon-Urteil), r.o. 301.
2. Dit conceptuele punt komt uitgebreid aan de orde in mijn dissertatie Soevereiniteit en pluralisme: Een conceptuele zoektocht naar de constitutionele grondslagen van de Europese rechtsorde, Deventer: Kluwer 2014.
3. Voor dit inzicht verwijs ik, behalve naar mijn hierboven genoemde dissertatie, naar het werk van Hans Lindahl, bijv.: ‘European Integration: Popular Sovereignty and a Politics of Boundaries’, 6 European Law Journal 2000, p. 239. Eerder huldigde ook al de Duitse staatsrechtjurist Hermann Heller deze opvatting. Zie diens Staatslehre [1934], Leiden: A.W. Sijthoff 1963.
4. De Europese claim op soevereiniteit werd voor de eerste maal geformuleerd in de baanbrekende arresten Van Gend & Loos en Costa vs. ENEL en is sindsdien steeds meer ingekleurd met constitutionele concepten zoals het Unieburgerschap.

 



Naam auteur: Jan Willem van Rossem
Geschreven op: 14 augustus 2014

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Het Duitse voorbeeld laat trouwens mooi zien hoe ook de Europese discussie over "soevereiniteit" in betere banen geleid kan worden.
De Duitse deelstaten hebben in beginsel een zelfstandige ("soevereine") bevoegdheid tot wetgeving. Waar "Berlijn" dus niets over te zeggen heeft. De uitzonderingen staan precies vermeld in het Duitse Grundgesetz (v/a art. 70): daar staan lijsten van beleidsterreinen waarop de wetgevende bevoegdheid geheel of gedeeltelijk an "Berlijn" toekomt. Staat iets niet op die lijst dan valt het autmatisch onder de bevoegdheid van de deelstaten. Ja, dat betekent ook dat die soms in Brussel moeten meepraten, buiten "Berlijn" om als het ware.

Het uitgangspunt van het subsidiariteitsbeginsel van de EU is hetzelfde, alleen is hier veel meer ruimte voor interpretatie. En dus voor onenigheid.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.