Kan de asielopvang niet wat soberder?

De toestroom van vluchtelingen brengt de regeringspartijen ertoe plannen te maken om de rechten op huisvesting van deze groep te versoberen. De VVD wil ook het recht op sociale zekerheid inperken. Wat kan en mag er op dat gebied internationaal- en Europeesrechtelijk?

VVD en PvdA zijn het eens over een versobering van de huisvesting van vluchtelingen.1 Houders van een tijdelijke verblijfsvergunning asiel krijgen niet langer voorrang bij de verdeling van sociale huurwoningen. Vluchtelingen moeten worden ondergebracht in alternatieve woonruimtes, zoals containerwoningen en verbouwde kantoorpanden. Volgens de plannen, die nog niet in beleid zijn vertaald, hoeven vluchtelingen daarvoor weinig of geen huur te betalen. Daardoor kunnen toeslagen verdwijnen en een bijstandsuitkering omlaag.
De versobering strekt minder ver dan eerdere voorstellen van de VVD.2 De VVD wil houders van een tijdelijke asielvergunning uitsluiten van sociale zekerheidswetgeving en slechts leefgeld uitkeren. Voor zowel asielzoekers (die nog in procedure zitten) als houders van een tijdelijke asielvergunning zou de medische zorg beperkt moeten worden tot wat ‘spoedeisend en medisch noodzakelijk’ is. Ook zou de asielvergunning voor bepaalde tijd voor één in plaats van vijf jaar moeten worden verleend. Volgens de VVD is het plan ‘effectief én juridisch uitvoerbaar’. Ook het CDA bepleit versobering en wil af van de plicht om vluchtelingen van ‘huis en uitkering’ te voorzien. Aan vluchtelingen uit Syrië zou niet langer de vluchtelingenstatus maar een ontheemdenstatus moeten worden verleend. Wel schat CDA-leider Buma de juridische haalbaarheid anders in. Omdat het Vluchtelingenverdrag van 1951 ten aanzien van sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs gelijke behandeling met onderdanen voorschrijft, bepleit hij aanpassing van het verdrag.3 De Europese Volkspartij zou dat standpunt hebben omarmd. De PVV is van opvatting dat asielzoekers geheel niet in Nederland moeten worden opgevangen, maar elders.4


Wat vereist het Vluchtelingenverdrag?

Het Vluchtelingenverdrag verplicht niet tot asielverlening. Het staat Europa grof gezegd vrij om in een grand deal Turkije toetreding te beloven in ruil voor al onze asielzoekers, mits zij daar conform het Vluchtelingenverdrag worden behandeld.5 Wel bepaalt het Vluchtelingenverdrag, waarvan de meeste bepalingen zijn uitgewerkt in bindend Unierecht, dat indien een verdragspartij rechtmatig verblijf toestaat aan een vluchteling, hij een rechtspositie moet hebben die op het terrein van fundamentele rech-ten en sociaaleconomische participatie vergelijkbaar is met die van onderdanen. Voor bijstand, sociale zekerheid en gezondheidszorg geldt een ‘behandeling op dezelfde wijze als onderdanen’.6 Voor toegang tot huisvesting geldt dat vluchtelingen ‘zo gunstig mogelijk en in elk geval niet minder gunstig dan vreemdelingen in het algemeen onder dezelfde omstandigheden’ moeten worden behandeld.7 De VVD had deze bepalingen kennelijk gemist. De voorstellen tot uitsluiting van sociale zekerheidswetten, verlaging van het bijstandsniveau en versobering van medische zorg zijn ermee in strijd. Het voorstel om de duur van het verblijfsrecht tot één jaar te beperken loopt stuk op de Definitierichtlijn, die voor vluchtelingen een minimumverblijfsduur van drie jaar voorschrijft.8
Ook het akkoord om toegang tot sociale huur af te snijden en bijstand in natura te verstrekken is problematisch. Uit de krant maak ik op dat dit volgens de coalitie niet neerkomt op ongelijke behandeling, omdat ook aan dak- en thuislozen en vrouwen in de vrouwenopvang bijstand in natura wordt verstrekt.9 Dat is een wonderlijke vondst. Vluchtelingen categorisch naar de opvang verbannen en hen vervolgens tegenwerpen dat ze gelijk als ieder ander worden behandeld. Ik vraag me ernstig af of dat voor de rechter stand houdt. Bovendien blijft overeind dat dan geen toegang tot huisvesting wordt geboden ‘onder vergelijkbare voorwaarden als andere vreemdelingen met rechtmatig verblijf’ zoals de Definitierichtlijn vraagt.10 Ook is het in strijd met de eveneens in de Definitierichtlijn genoemde plicht van lidstaten zich in te spannen om ‘een beleid te voeren dat erop gericht is discriminatie van personen die internationale bescherming genieten, te voorkomen en hun op het gebied van toegang tot huisvesting gelijke kansen te bieden.’11 Het coalitieakkoord heeft juist tot gevolg dat die inspanning niet langer wordt verricht.
Uit vergelijkende studies blijkt dat in Europese lidstaten doorgaans geen wettelijke belemmeringen bestaan omtrent toegang voor vluchtelingen tot sociale huurwoningen.12 Wel bestaan vaak lange wachttijden die worden veroorzaakt door algemene woningtekorten of worden vluchtelingen geconcentreerd in achterstandsbuurten. De urgentieverklaring die in Nederland aan asielstatushouders wordt verstrekt heeft tot doel dergelijke wachttijden te voorkomen en doorstroming uit asielzoekerscentra te verzekeren. Het Vluchtelingenverdrag eist niet dat aan vluchtelingen een dergelijke ‘voorrang’ wordt gegeven. Maar gewaakt moet worden tegen een beeld dat asielstatushouders zo worden bevoordeeld. Er is geen sprake van discriminatie tussen Nederlanders en vluchtelingen. Immers, ook Nederlanders die geen woning (meer) hebben als gevolg van echtscheiding, gedwongen verkoop of te hoge woonlasten krijgen een urgentieverklaring. Uiteraard is de verdringing van Nederlandse woningzoekenden door de sterk vergrote instroom asielzoekers een voornaam probleem. Een oplossing die beter strookt met het Vluchtelingenverdrag is om vluchtelingen niet permanent uit te zonderen van toegang tot sociale huur maar wel de wachttijd op te laten lopen; en om tussentijdse lapmiddelen tot bestrijding van het woningtekort zonder onderscheid naar status in te zetten – zoals ook nu gebeurt.

Wat mag dan wel? Ik zie drie juridisch haalbare varianten die in meer of mindere mate tegemoet komen aan de wens van meer karige opvang: het maken van onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden; het afhouden van bepaalde categorieën asielzoekers zoals Syriërs van de vluchtelingenstatus; en het aanpassen van het Vluchtelingenverdrag. Ik concludeer dat elk van de varianten problematisch is. Aan het slot wijd ik een enkele opmerking aan de meer fundamentele vraag of wij inderdaad toe moeten naar een andere benadering over de bescherming van vluchtelingen.


Onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden

Het internationale en Europese recht maakt onderscheid tussen vluchtelingen en andere categorieën ontheemden. De vluchtelingendefinitie in het Vluchtelingenverdrag eist een vrees voor vervolging om een discriminerende reden zoals ras, religie of politieke overtuiging.13 Enigszins versimpeld: een Assyriër (Abel) die onthoofding door Islamitische Staat vreest omdat hij van het verkeerde geloof is, is vluchteling; een inwoonster uit Aleppo (Salma) die het aanhoudende geweld in haar stad zat is, niet. Salma kan toch aanspraak maken op asiel uit hoofde van de jurisprudentie van het EHRM over art. 3 EVRM en de incorporatie daarvan in het EU-asielrecht en nationale wetgeving (subsidiaire bescherming).14 De Definitierichtlijn verplicht tot het verlenen van asiel aan zowel Abel als Salma, maar de status van Salma mag minder sterk zijn: een verblijfsvergunning voor de duur van één in plaats van drie jaar, geen vluchtelingenpaspoort maar een ander document dat haar in staat stelt om te reizen en haar sociale bijstand mag beperkt worden tot ‘de meest fundamentele prestaties’.15 Voor het overige (toegang tot de arbeidsmarkt, huisvesting, gezondheidszorg, onderwijs) moeten aan Salma en Abel dezelfde rechten worden toegekend. Als gezegd moeten daarvoor, met uitzondering van huisvesting, dezelfde voorwaarden gelden als voor Nederlanders.

Het Nederlandse éénstatusselsel verzet zich tegen het maken van een onderscheid tussen vluchtelingen en andere ontheemden. Met de invoering van de Vreemdelingenwet van Cohen werd een einde gemaakt aan het toen bestaande onderscheid tussen de A-status voor verdragsvluchtelingen die recht gaf op permanent verblijf, de Vergunning tot Verblijf (vtv) voor overige humanitair beschermden die recht gaf op tijdelijk verblijf en de Voorwaardelijke Vergunning tot Verblijf (vvtv) voor asielzoekers die tijdelijk niet naar hun land konden terugkeren omdat de situatie daar te gevaarlijk werd geacht. In plaats daarvan kwam één verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die na vijf jaar een aanspraak doet ontstaan op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Voor de vereenvoudiging werd gekozen om de beslispraktijk te vergemakkelijken en doorprocederen te voorkomen.16 Aanvankelijk waren er vier gronden voor verlening van de verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, maar de twee nationale gronden voor asielverlening zijn in een ‘herschikking’ door het kabinet Rutte-I uit artikel 29 VW 2000 geschrapt.17 Overgebleven zijn de Unierechtelijke gronden vluchtelingenschap en subsidiaire bescherming. Overigens betekent asielverlening niet dat automatisch vijf jaar verblijf moet worden toegestaan. De vergunning wordt volgens de wet verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren en kan ingetrokken worden indien de gronden voor verlening zijn komen te vervallen (het is voor Abel of Salma weer veilig in Syrië).

Doorbreking van het éénstatusstelsel maakt het mogelijk om op sociale uitkeringen van subsidiair beschermden te korten en de duur van hun verblijfsvergunning te beperken tot een jaar. In 2014 verleende Nederland aan ongeveer 10 000 personen asiel op grond van subsidiaire bescherming en aan 2500 als vluchteling. Syriërs worden overwegend als subsidiair beschermd aangemerkt. Maar differentiatie betekent dat nog altijd aan een substantiële groep de meer volwaardige status moet worden toegekend. Ook zal de beslispraktijk worden bezwaard omdat dan beter dan nu moet worden gemotiveerd waarom de vreemdeling wel voor subsidiaire bescherming maar niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt. Vaak is het makkelijker om aanvragen af te doen onder het eenvoudiger te doorgronden leerstuk van subsidiaire bescherming. Om die reden, maar ook om doorprocederen vóór te zijn, is het waarschijnlijk dat bij doorbreking van het éénstatusstelsel, een verzoek vaker zal worden ingewilligd op grond van vluchtelingenschap. Anders dan Nederland verlenen vrijwel alle EU-lidstaten vaker asiel op grond van vluchtelingenschap dan subsidiaire bescherming.18 Differentiatie roept verder de vraag op waarom Abel nu eigenlijk meer rechten krijgt dan Salma. Er wordt dan een toch wat kunstmatig onderscheid aangebracht tussen personen die vanwege religie of meer algemene risico’s Syrië zijn ontvlucht.


Invoering van een ontheemdenstatus

Variant twee is invoering van een ontheemdenstatus, zoals in de jaren negentig bestond voor asielzoekers uit Bosnië en Kosovo. Bosniërs werden aanvankelijk buiten de asielprocedure gehouden door een opeenstapeling van maatregelen waaronder verlenging van de visumvrije periode, uitstel van vertrek en buiten behandelingstelling van de asielaanvraag.20 Zij werden als ontheemden en niet als vluchtelingen gezien omdat hun verblijf naar verwachting van tijdelijke aard zou zijn. Later werd voor Bosniërs de voorwaardelijke vergunning tot verblijf in het
leven geroepen die na drie jaar een aanspraak deed ontstaan op de meer volwaardige vergunning tot verblijf (maar niet de A-status voor vluchtelingen). De Bosniërs hadden beperkt toegang tot de arbeidsmarkt, werden aanvankelijk in centrale ontheemdencentra opgevangen, zoals kazernes, en kregen geen bijstandsuitkering maar leefgeld en een verzekering tegen ziektekosten. Omdat terugkeer langdurig niet mogelijk bleek, werd aan veel Bosniërs toch de A-status verleend, met name om grote aantallen procedures te voorkomen. De behandeling van asielaanvragen werd hervat nadat de Rechtseenheidskamer de onmogelijkheid om een A-status aan te vragen ongedaan had gemaakt.20

Ook ten aanzien van de Kosovo-Albanezen werd aanvankelijk een beleid van opschorting van asielaanvragen en uitstel van vertrek gevoerd. Mede onder druk van rechterlijke uitspraken werd op hen in 1999 het vvtv-beleid toegepast zoals dat ook voor de Bosniërs had gegolden.21 Dit beleid kon al snel weer worden beëindigd door de verbetering van de situatie in Kosovo. Daarna werd een betrekkelijk succesvol aansporingsbeleid van zelfstandige terugkeer gevoerd, waarbij de vvtv’s werden ingetrokken met gelijktijdige beslissing op de asielaanvraag. Een voornaam verschil tussen de Bosniërs en Kosovo-Albanezen is dat de eerste groep overwegend in Nederland is gebleven.22 Dit kwam omdat veel Bosniërs uiteindelijk niet afgehouden konden worden van een permanente verblijfsvergunning, maar ook omdat Bosnië een etnisch verscheurd land was waarnaar veel vluchtelingen niet terug konden of wilden keren. Een groot deel van de Kosovo-Albanezen keerde wel terug. Zij hadden na 1999 voor de Serviërs niet meer te vrezen en slechts een gering aantal was toegelaten als vluchteling.

De juridische figuur die enigszins aansluit bij de voorstellen van CDA en VVD en sterk lijkt op het voormalige vvtv-beleid is de tijdelijke beschermingsstatus. Deze volgt uit de richtlijn tijdelijke bescherming die in 2001 door de EU werd aangenomen om een herhaling van de Kosovaarse vluchtelingencrisis te voorkomen. Ook toen kon Europa het niet eens kon worden over een verdeling. De richtlijn bepaalt dat de Raad met gekwalificeerde meerderheid, op voorstel van de Europese Commissie, kan besluiten om aan een specifieke groep (bijvoorbeeld Syriërs) tijdelijke bescherming te verlenen voor een maximale duur van drie jaar. Daarna is terugkeer of asielverlening aan de orde. Het besluit moet een raming van de omvang ontheemden geven en lidstaten moeten in een ‘geest van solidariteit’ hun opvangcapaciteit voor de betreffende personen aangeven. Op basis daarvan vindt een (her)verdeling plaats.

De richtlijn tijdelijke bescherming beoogt met name om onmiddellijk bescherming te garanderen zonder noodzaak van individuele procedures. Het niveau van bescherming is nadrukkelijk soberder dan de latere Europeesrechtelijke harmonisatie van de vluchtelingen- en subsidiaire beschermingsstatus: een recht op een ‘fatsoenlijk onderkomen’, ‘de nodige hulp inzake sociale bijstand en levensonderhoud’ en ‘spoedeisende en essentiële medische zorg’.23 In Nederland is de richtlijn geïmplementeerd middels een wettelijke uitbreiding van het besluitmoratorium, waarbij voor de duur van de tijdelijke bescherming niet op asielaanvragen wordt beslist en de opvangcondities gelijk zijn als die voor asielzoekers.24

Waarom deze richtlijn niet activeren? Het belangrijkste obstakel is het verzekeren van een gekwalificeerde meerderheid in de Raad. Lidstaten die niet of in mindere mate door de vluchtelingencrisis getroffen worden zien geen belang om in te stemmen met een regeling die solidariteit dwingend oplegt. In wezen moet voor activering dezelfde moeizame discussie gevoerd worden als over de verdeling van 160 000 in Italië en Griekenland aangekomen asielzoekers.25 Ook zouden lidstaten bang zijn voor een aanzuigend effect.26 Verder kan het als bezwaarlijk worden ervaren om in het geheel geen asielprocedures te starten, omdat dan minder goed ingeschat kan worden welk vlees er in de kuip wordt gehaald. We zien immers liever geen jihadisten en kindbruiden. Uitsluitend registratie geeft politie en AIVD weinig gegevens om mee te werken.

Ook indien er wél voldoende Europese steun zou zijn voor het toepassen van de tijdelijke beschermingsrichtlijn op Syriërs, komt dit maar beperkt tegemoet aan de wensen van CDA en VVD. Tijdelijke bescherming mag niet langer dan drie jaar worden volgehouden en geldt slechts voor een specifiek aangewezen groep. Voorts blijft elke oplossing juridisch kwetsbaar die aan de ene categorie asielgerechtigden minder rechten biedt dan aan een andere. Vroeg of laat zullen Syriërs bij een rechter acceptatie als verdragsvluchteling proberen af te dwingen.


Aanpassen Vluchtelingenverdrag

Buma stelt daarom aanpassing van internationale en Europese regelgeving voor. Nederland zou volgend jaar tijdens het voorzitterschap van de EU een wijziging van het Vluchtelingenverdrag op de agenda moeten zetten.?Een verdragswijziging is mogelijk maar de procedure is niet precies omschreven. Het Vluchtelingenverdrag bepaalt slechts dat elke verdragspartij om herziening
kan verzoeken en dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties dan een aanbeveling zal doen over de te nemen stappen. Het ligt in de rede dat de AV uitsluitend verdragsaanpassing zal aanbevelen indien een substantieel aantal verdragspartijen daar voor is.27 Vervolgens zal een conferentie van partijstaten (waarschijnlijk bij meerderheid) tot overeenstemming moeten komen over de wijzigingen, die dan ter goedkeuring (waarschijnlijk bij meerderheid) worden voorgelegd aan de Algemene Vergadering. Daarna kan tot ondertekening en ratificatie worden overgegaan. Inwerkingtreding is dan afhankelijk van het aantal daarvoor benodigde ratificaties. Dan komt ook de vraag aan bod of de aanpassingen dermate fundamenteel zijn dat alle verdragspartijen akkoord moeten gaan.

Buma beseft dat dit een proces van lange adem is en Nederland nu niet zal kunnen baten, maar wel in toekomstige vluchtelingencrises.28 Nederland zal ongetwijfeld medestanders vinden. In 1998 opperde het Oostenrijks voorzitterschap van de EU ook het idee van verdragsaanpassing vanuit gelijke zorgen als die van Buma, maar kreeg toen geen meerderheid achter zich.29 Denemarken wil allicht van de verdragsbepaling af die in strijd is met zijn besluit om de uitkeringen aan vluchtelingen te halveren.30 In Australië opperde toenmalig premier Rudd aanpassing van het Vluchtelingenverdrag, al leek dat een red herring.

Nu is het voor mij lastig het politieke krachtenveld in de VN in te schatten, maar ik durf aan te nemen dat ook veel verdragspartijen geneigd zullen zijn om een verlichting van verdragsverplichtingen op te vatten als poging van rijke landen om vluchtelingen buiten de deur te houden. Veel Afrikaanse landen vinden dat Europa juist méér moet doen.31 Zij zullen waarschijnlijk weinig gevoelig zijn voor de finesses van het debat in Nederland, Denemarken en Australië. Met 144 verdragspartijen zijn de rijke landen sterk in de minderheid. Dat brengt mij tot de conclusie dat wijziging weinig kansrijk is. En als een meerderheid van verdragspartijen van opvatting is dat wijziging slechts kan met instemming van alle verdragspartijen is de exercitie bij voorbaat kansloos.

Overigens is voor opzegging van het Vluchtelingenverdrag geen instemming van de overige verdragspartijen vereist.32 Maar eenzijdige terugtrekking lijkt wat veel van het goede, nu geen enkele serieuze politieke partij ervan blijk geeft afstand te willen doen van de kernverplichting in het verdrag om vluchtelingen te beschermen. Bovendien zijn de bepalingen van het verdrag onderdeel geworden van de Europese verplichtingen waaruit geen eenzijdige terugtrekking mogelijk is.


Fysieke veiligheid of volwaardig burger?

De meer wezenlijke vraag is of het wenselijk is om het Vluchtelingenverdrag van ‘franje’ te ontdoen. In de pers en politieke arena is wel met verontwaardiging geconstateerd dat Syrische vluchtelingen geen genoegen nemen met veiligheid in Turkije, maar doorreizen uit economische motieven.33 Rechtsfilosofen Oudejans en de Waal repliceerden dat het Vluchtelingenverdrag niet slechts tot doel heeft vluchtelingen fysiek te beschermen, maar beoogt om vluchtelingen volwaardig te laten participeren in een nieuwe samenleving.34 Immers, vluchtelingen zijn niet slechts onveiligheid ontvlucht, maar hebben door hun vlucht ook hun burgerschaps- en sociaaleconomische rechten verloren. De bescherming in Libanon en Turkije biedt, juist ook vanwege de grote aantallen, geen uitzicht op herstel daarvan. Dat verklaart mede waarom Syriërs in zulke grote getalen vanuit die kampementen de trek naar Europa hebben aangevangen.
Toch houdt Buma vol dat het Vluchtelingenverdrag niet van deze tijd is. Hij herinnert eraan dat het vluchtelingenverdrag was geschreven voor onder meer de naar schatting zeven miljoen Volksduitsers die uit de door Polen geannexeerde Deutsche Ostgebiete werden verdreven en die zo snel mogelijk in Duitsland moesten worden opgenomen. Datzelfde gold voor de joden waarvan men vond dat terugkeer naar Duitsland niet kon worden verlangd. De vluchtelingen van nu zijn van een ander soort. Hun verblijf zal in de regel slechts tijdelijk zijn. Er is daarom geen noodzaak om hen een status te geven die assimilatie met de eigen populatie tot uitgangs-
punt neemt. Bovendien zijn de morele aspiraties van het Vluchtelingenverdrag ‘gewoonweg niet meer houdbaar’: ze gaan het vermogen van de Nederlandse verzorgingsstaat te buiten. Buma stelde in Buitenhof dat landen als Turkije en Libanon, die het vluchtelingenverdrag niet toepassen op Syriërs, voldoende doen door hen opvang te bieden. ‘Het kan sober zijn, want je moet weer terug na die oorlog – dat was in 1951 niet.’35

Buma heeft gelijk dat het asielrecht traditioneel allerhande constructies kent om ‘oorlogsvluchtelingen’ onder minder gunstige condities op te vangen met het oog op terugkeer. Daar past wel een belangrijke kanttekening bij. Idealiter zou vanaf het moment van aankomst duidelijk zijn hoe lang bescherming aangewezen is en of terugkeer binnen een redelijk termijn gerealiseerd kan worden. Dan kan een beleid gevoerd worden dat zich richt op terugkeer dan wel integratie. Het punt is dat zulks bij aankomst eigenlijk niet te voorspellen valt. Een les die uit de jaren negentig kan worden getrokken is dat terugkeer alleszins in de rede ligt bij conflicten van kortere duur en indien de politieke oplossing duurzame stabiliteit biedt. Maar we weten niet hoe lang het conflict in Syrië nog gaat aanhouden, of een politieke oplossing veiligheid zal bieden aan alle bevolkingsgroepen en of een nieuwe regering in Syrië wel mee zal werken aan terugkeer. Ook als veiligheid bij terugkeer gegarandeerd is, is effectuering afhankelijk van factoren als de duur van verblijf en het hier opgebouwde gezins- of sociaaleconomische leven.
Zweden trok twee jaar geleden al de conclusie dat het conflict in Syrië geen perspectief op terugkeer bood en besloot verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd die waren verleend aan subsidiair beschermden om te zetten in een permanente status.36 Dat was niet omdat het Vluchtelingenverdrag of Europese regels daartoe verplichtten, maar omdat de politieke afweging daar uitviel in het voordeel van integratie. Nederland houdt de optie van terugkeer nadrukkelijk open, waar ook best veel voor te zeggen valt. Maar een beleid dat de terugkeer van alle Syriërs tot uitgangspunt neemt legt een hypotheek op hun integratie. Als noodoplossing ben ik niet tegen het bij elkaar proppen van Syriërs in leegstaande kantoorpanden of containerwoningen. Wel als het uiting geeft aan permanente segregatie. 

 

Dit artikel is ook gepubliceerd in NJB 2015/1951, afl. 39.

 

Afbeelding: Jonge vluchtelingen uit Eritrea worden sinds kort gehuisvest in dit voormalige studentencomplex in Lent © Flip Franssen / Hollandse Hoogte

 

 

  1. ‘Coalitie is het eens over versobering opvang vluchtelingen’, Het Parool  12 oktober 2015.
  2. ‘Grenzen aan de Opvang’, VVD, 10 oktober 2015.
  3. Buma: Vluchtelingenverdrag is niet meer van deze tijd’, Elsevier 21 oktober 2015.
  4. In het PVV Verkiezingsprogramma 2012-2017 staat dat Nederland niet meer
    dan duizend asielzoekers per jaar moet opnemen.
  5. De voorwaarden zijn uitgewerkt in art. 38 Richtlijn 2013/32/EU (procedurerichtlijn).
  6. Art. 23, 24 Vluchtelingenverdrag. Zie ook art. 29, 30 Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn).
  7. Art. 21 Vluchtelingenverdrag. Zie ook het in licht andere woorden opgestelde art. 32 Richtlijn 2011/95/EU.
  8. Art. 24 lid 1 Richtlijn 2011/95/EU.
  9. Coalitie is eruit: opvang asielzoekers soberder’, Trouw 12 oktober 2015.
  10. Zie lid 1 van art. 32 Richtlijn 2011/95/EU.
  11. Art. 32 lid 2 Richtlijn 2011/95/EU.
  12. J.C. Hathaway, The Rights of Refugees under International Law, Cambridge University Press, 2005, p. 817-825; H. Battjes, J. Lindholm & B. van Melle, ‘Directive 2004/83 Qualification Directive Synthesis Report’ (Odysseus Network for the European Commission), december 2007.
  13. Art. 1A(2) Vluchtelingenverdrag.
  14. Onder meer EHRM 28 juni 2011, appl. nrs. 8319/07 en 11449/07 (Sufi en Elmi vs. Verenigd Koninkrijk); art. 15 Richtlijn 2011/95/EU; art. 29 lid 1 onder b VW 2000.
  15. Art. 24, 25 en 29 Richtlijn 2011/95/EU.
  16. Kamerstukken II 1998/99, 26732, 3.
  17. Stb. 2013, 478.
  18. Eurostat 20 maart 2015, ‘Asylum applicants and first instance decisions on asylum applications: 2014 – Issue number 3/2015’.
  19. Zie uitgebreid K. Franssen, Tijdelijke bescherming van asielzoekers in de EU, Recht en praktijk in Duitsland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk en richtlijn 2001/55/EG, Den Haag: Boom Juridische uitgevers, 2011, p. 42-57.
  20. Rb. ’s-Gravenhage (REK) 7 november 1996, RV 1996, 11.
  21. Rb. ’s-Gravenhage (REK) 17 november 1998, JV 1998/217; Kamerstukken II 1998/99, 19637 en 22181, 434.
  22. Zie, uitgebreid, A. Böcker & T. Havinga, ‘Een Eeuw van Opvang van Europese Oorlogsvluchtelingen in Nederland’, in: A. Terlouw & K. Zwaan (red.), Tijd en asiel. 60 jaar vluchtelingenverdrag, Deventer: Kluwer 2011, p. 7-26.
  23. Art. 13 Richtlijn 2001/55/EG.
  24. Art. 43a VW 2000.
  25. Raadsbesluit EU 2015/1601.
  26. M. Ineli-Ciger, ‘Has the Temporary Protection Directive Become Obsolete? An Examination of the Directive and its Lack of Implementation in View of the Recent Asylum Crisis in the Mediterranean’, in: C. Bauloz, M. Ineli-Ciger, S. Singer & V. Stayanova (red.), Seeking Asylum in the European Union: Selected Protection Issues Raised by the Second Phase of the Common Asylum System, Den Haag: Martinus Nijhoff 2015, p. 225.
  27. T. Einarsen, ‘Article 45 1951 Convention’, in: A. Zimmerman et al, The 1951 Convention Relating to the Status of Refugees and its 1967 Protocol: A Commentary, Oxford University Press, 2011, p. 1661. Een dergelijke procedure is ook voorgeschreven voor aanpassing van het IVBPR, zie art. 51 van dat verdrag.
  28. ‘Buitenhof’, NPO 1, 18 oktober 2015.
  29. Strategy paper on immigration and asylum policy’, Raadsdocument 9809/98.
  30. UNHCR Observations on the proposed amendments to the Danish Social Security legislation, augustus 2015.
  31. H. Egbedi, ‘Yes there are 200 000 refugees in Europe, but here are five refugee crises in Africa you should pay attention to’, 1 oktober 2015.
  32. Art. 44 Vluchtelingenverdrag.
  33. A. Karskens, ‘Niemand is naar Kos gevlucht omdat zijn leven gevaar liep’, The Post Online 3 september 2015.
  34. VVD sjoemelt met verdrag vluchtelingen’, NRC Next 21 oktober 2015.
  35. Buitenhof’, NPO 1, 18 oktober 2015.
  36. Sweden offers residency to all Syrian refugees’, UNHCR Refugees Daily
    3 september 2013.
Maarten den Heijer

Naam auteur: Maarten den Heijer
Geschreven op: 10 november 2015

Universitair docent internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam.

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

Frits Jansen schreef op :
Naar ik vrees leeft vooral in VVD kringen de gedachte dat verdragen die in de weg staan aan wat de politiek wil moeten worden opgezegd of anders genegeerd.
De VVD is geen aanhanger van de klassieke rechtsstaat met gescheiden machten, waarin ook politici gebonden zijn aan grondrechten. Bij de VVD leeft de misvatting van "het primaat van de politiek". Dat deze gedachte in de geschiedenis vreselijke gevolgen heeft gehad negeren ze.
Ik heb vooraanstaande VVD-ers zelfs horen zeggen dat het EVRM uit de tijd is - na 65 jaar. Bovendien: veel te duur om na te komen! Kennelijk hebben ze de tekst nooit gezien.
Thorbecke had in 1848 het probleem dat hij het centrum van de macht wilde verschuiven van de Koning naar het Parlement. In dat streven schoot hij door: hij gaf het Parlement vrijwel volledige zeggenschap. In landen als de VS (met een nog oudere grondwet!) en Duitsland is er een constitutionele rechter die de grondwet handhaaft. Als die politici tegenspreekt, wordt er natuurlijk wel eens gemopperd, maar het gezag van de opperrechters wordt niet betwist.
Zijn dat dan geen "politici in toga", zoals een andere vooraanstaande VVD-er eens opmerkte? Lieden die politieke beslissingen nemen zonder democratische legitimering? In Duitsland wordt dat voorkomen door het leerstuk van het "Parlamantsvorbehalt": het Bundesverfassungsgericht kan wetten wel afkeuren wegens snrechtmatigheid, maar geeft daarna het Parlement het woord om met een betere wet te komen. Tja, als dat niet bijtijds gebeurt dan vervalt de oorspronkelijke wet. Ach, bestuursrechters doen niets anders: zij behoordelen rechtmatigheid, geen doelmatigheid.
Het wordt tijd dat Nederland eindelijk een moderne rechtsstaat wordt.

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.