The Dutch exception

Terwijl de onderhandelingen over het nieuwe kabinet gaande zijn, worden ook in Brussel de degens gekruist, onder andere over de Richtlijn over het recht op toegang tot een raadsman. Het lijkt een krachtmeting te worden tussen de Europese Raad en het Europees Parlement en met name de Nederlandse ministeriële lobby is erin geslaagd behoorlijke invloed uit te oefenen op de standpuntbepaling in de Raad.

Het oorspronkelijke voorstel voor de EU-richtlijn van 8 juni 2011 is afkomstig van de Commissie (COM(201) 326) en geeft recht op rechtsbijstand niet alleen voor aangehouden verdachten maar voor iedere verdachte die in kennis wordt gesteld van een verdenking van een strafbaar feit of tegen wie een Europees arrestatiebevel is uitgevaardigd. Het recht op rechtsbijstand omvat bijstand vóór en tijdens alle verhoren en tijdens onderzoekshandelingen, waarbij de advocaat actief mag optreden: vragen stellen, toelichting vragen of verklaringen afleggen. Afwijking van deze rechten is alleen toegestaan in uitzonderlijke omstandigheden. Bijvoorbeeld als er gevaar dreigt voor de fysieke integriteit van personen, hoeft niet op de advocaat gewacht te worden, maar bij het verhoor mag hij altijd. Het voorstel van de Commissie verschilt nogal van het Nederlandse conceptwetsvoorstel rechtsbijstand en politieverhoor dat naar aanleiding van de Salduz jurisprudentie van het EHRM op 15 april 2011 in consultatie is gegaan en sindsdien in de ijskast ligt te wachten op wat er in Brussel zal worden besloten. De meest in het oog springende verschillen zijn dat het Nederlandse voorstel de bijstand tijdens het politieverhoor bij volwassenen pas toelaat voor feiten waar zes jaar of meer gevangenisstraf op staat en bovendien bepaalt dat advocaten kunnen worden uitgesloten van het verhoor als dat in het belang van het onderzoek is.

Duidelijk is inmiddels geworden dat de concept-richtlijn van de Commissie waarschijnlijk niet ongeschonden door de onderhandelingen binnen de Raad zal komen. De tekst van de richtlijn zoals die door de Raad aan het Europees Parlement zal worden voorgelegd en amendementen daarop die momenteel circuleren bevatten belangrijke beperkingen. Zo worden voorstellen gedaan om de richtlijn niet van toepassing te laten zijn op zogenaamde minor offences. In Brusselse kringen wordt gesproken over the Dutch exception omdat deze kennelijk uit de Nederlandse koker komt. Volgens de preambule gaat het om lichte strafbare feiten zoals verkeersovertredingen en overtredingen van de Algemene Politieverordeningen waarbij voorbeelden genoemd worden zoals het maaien van gras laat op de avond, openbare dronkenschap of naaktzwemmen. Maar in artikel 3 van de richtlijn worden minor offences gedefinieerd als strafbare feiten die buitengerechtelijk worden afgedaan of waar geen vrijheidsbenemende sanctie te verwachten valt. Dat lijkt te passen bij wat er in de preambule staat, maar als we deze bepaling vertalen naar de Nederlandse context dan gaat het over strafbeschikkingen die kunnen worden opgelegd voor feiten waarop tot maximaal 6 jaar gevangenisstraf staat. Dat is andere koek dan laat op de avond de grasmaaier starten. Bovendien is er een discussie gaande over de vraag of niet expliciet moet worden opgenomen dat de richtlijn wél van toepassing blijft op verdachten wier vrijheid in het strafrechtelijk onderzoek is ontnomen, ongeacht of ze al dan niet verdacht worden van een minor offence. Ook daar is terminologie van groot belang. In een van de richtlijnteksten die circuleert staat pretrial detention. In Nederland hebben we het dan echter over bewaring en gevangenhouding. Ophouden voor verhoor gedurende maximaal 15 uur en inverzekeringstelling van drie dagen vallen daar niet onder. Dat wordt anders als in de richtlijn komt te staan dat deze altijd van toepassing is in geval van deprivation of liberty want dat is een feitelijke term die het ophouden voor verhoor op het politiebureau en de inverzekeringstelling omvat.

Als we kijken naar het Nederlandse ZSM beleid waarin ernaar gestreefd wordt om bij 70% van de lichtere strafbare feiten een strafbeschikking op te leggen binnen de periode van ophouden voor verhoor of inverzekeringstelling, dan krijgt the Dutch exception een andere dimensie. Dan kan de verdachte op grond van de richtlijn geen aanspraak maken op de rechtsbijstand van een advocaat tijdens de verhoren in de gevallen waar een strafbeschikking wordt opgelegd in de periode van ophouden voor verhoor of inverzekeringstelling. Salduz-proof lijkt dit in ieder geval niet. De Raad van Europa heeft op 20 september 2012 op verzoek van het Europees Parlement een opinie over de concept-richtlijn uitgebracht en daarin zijn zorgen geuit over de in de richtlijn opgenomen beperkingen, met name ook met betrekking tot de minor offences.

Blijkens het rapport over de concept-richtlijn van de rapporteur van het Europees Parlement (aangenomen in de LIBE commissie van het EP op 7 februari 2012, 2011/054 COS-PE464.063v01-00) zal er vanuit het Europees Parlement zeker tegengas komen. Het Europees Parlement zit veel meer op de lijn van het Commissievoorstel en de amendementen op de concept-richtlijn van de Raad circuleren al.

Duidelijk is in ieder geval dat de Europese besluitvorming door de grotere rol van het Europees Parlement en het tegenspel dat zij de Raad kan bieden na het verdrag van Lissabon veel spannender is geworden en dat het Nederlandse wetgevingsproces zich, waar het de rechtsbijstand in strafzaken betreft, heeft verplaatst naar het EU-niveau. Het zou mooi zijn als onze nieuwe regering the Dutch exception zou loslaten voor die gevallen waarbij er sprake is van vrijheidsbeneming en bij de ZSM aanpak zou voorzien in adequate rechtsbijstand. Er is niets tegen het snel afdoen van strafzaken, als er maar voldoende rechtswaarborgen ingebouwd worden, waarvan de rechtsbijstand van een advocaat de meest urgente is.

Dit Vooraf is verschenen in NJB 2012/2094, afl. 37, p. 2607.

 

Taru Spronken

Naam auteur: Taru Spronken
Geschreven op: 22 oktober 2012

Advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar straf- en strafprocesrecht Universiteit Maastricht

Reageer op dit artikel
















Even geduld a.u.b.

Reacties

a.zecha schreef op :
Het woord “Dutch” geeft een niet onverdeelde positieve connotatie aan het zelfstandig naamwoord waar het bijgevoegd wordt.
“Talking double Dutch” en “a Dutch wife” (voor een rolkussen dat door door ‘the Dutch colonials’ in bed tussen de benen wordt gehouden) zijn twee voorbeelden.

De titel van dit artikel “The Dutch exception” kan na lezing m.i. vrij vertaald worden in: “De verslechtering van de rechtspositie van Nederlandse burgers”.
Paralelle vertalingen kunnen zijn: “De versterking van de Nederlandse bestuurlijke rechtspositie”.of korter: “anti-EU” of “nationalistisch”.

Ter zijde: bemerkenswaard is dat de Nederlandse opstelling tegenover de EU duidelijk verschilt van die tegenover de VS:(in het bijzonder tijdens de Bush ‘administration’).
a.zecha

Agenda

Afbeelding

Ontmoet vakgenoten en bespreek actuele onderwerpen in de LinkedIn-groep van het Nederlands Juristenblad.

 

 



Lees en doorzoek het NJB online in Navigator

Inloggen

U maakt gebruik van een verouderde browser

Het gebruik van een verouderde browser maakt uw computer onveilig en tevens ongeschikt voor het optimaal raadplegen van deze website.

De website van het NJB - Nederlands Juristenblad is namelijk geoptimaliseerd voor een nieuwere versie van uw browser.
In de meeste gevallen waarin het fout gaat, betreft dit het gebruik van de Internet Explorer browserversie 7 of 8.
Deze website is geoptimaliseerd voor Internet Explorer 9 en hoger, Google Chrome, Safari en Firefox.

Bekijk hier of er een nieuwere versie van uw browser beschikbaar is.